Hoofdstuk 5: Het verjaardagsfeest

Lees eerst met de leerlingen hoofdstuk 5: Het verjaardagsfeest

Vraag daarna of de leerlingen de tekst begrepen hebben. Ja, dan ga je door met vragen stellen. Nee, dan bespreek je met de leerlingen te tekst en geef zelf uitleg of je geeft een leerling de beurt.

Denkstimulerende vragen

Opdrachten en werkbladen

Uitleg bij opdracht 1: Woordzoeker
De woordzoeker staat op het Digibord en alle leerlingen hebben het werkblad voor zich liggen. Laat de leerlingen de woorden die zij herkennen benoemen. Dit kan zijn in de woordzoeker zelf of in de woorden eronder. Benadruk het belang van de juiste kleur bij het juiste woord aan te strepen. Oefen een paar woorden klassikaal en laat daarna de leerlingen alleen of in tweetallen de rest van de woorden zoeken. Werkblad Hoofdstuk 5 werkblad 1
 
Uitleg werkblad 2: Zoekplaatje. Zet een cirkel om de afbeeldingen die bij het woord horen.
Alle leerlingen hebben het werkblad 'Zoekplaatje' voor zich liggen. Je laat de leerlingen vertellen wat ze zien. Laat ook de woorden lezen. Omcirkel samen met de leerlingen de afbeelding die bij het woord hoort. Laat ze daarna daarna de rest zelfstandig maken. Werkblad Hoofdstuk 5 werkblad 2
 
Uitleg bij opdracht 3: Welk verjaardagsliedje vind je leuk?
Iedere leerlingen heeft vier kaartjes met de cijfer 1 t/m 4 erop.  De liedjes staan genummerd op het Digibord. Laat de leerlingen (meerdere keren) luisteren naar de vier liedjes. Daarna vraag je welk liedje zij het mooist vinden. De leerling houdt het nummer van zijn favoriete liedje omhoog. De leraar telt. het aantal op en zet het getal achter het liedje. Vraag daarna aan de leerlingen welk liedje de meeste stemmen heeft gekregen.
De liedjes:
1 Hé kanjer, dit is je verjaardag
2 Happy birthday to you
3Het nieuwste verjaardagslied Hoera
4 Het Ketnet verjaardagslied
 
Uitleg bij opdracht 4: Wat kun je allemaal kopen voor 10 euro?

Laat de leerlingen bedenken wat je allemaal kunt kopen voor 10 euro. Schrijf dit op het Digibord. Daarna kunnen de leerlingen online opzoeken hoe duur het product kost. Het bedrag wordt opgeschreven. Tenslotte wordt er bepaald of iets duurder of goedkoper is dan 10 euro.