
Situatie:
Mevrouw Van Gerven (82 jaar) woont in een zorginstelling. Ze is mobiel met een rollator, maar is de laatste weken onzeker bij het lopen en staat soms wankel op haar benen.
Je merkt dat ze donkere en sterk ruikende urine heeft. Ze plast de laatste dagen ook veel minder dan normaal.
Wanneer je vraagt of ze goed drinkt, zegt ze zachtjes:
“Ik drink niet te veel hoor… anders moet ik continu naar het toilet. En ik wil niet steeds iemand roepen.”
’s Nachts lekt haar incontinentiemateriaal regelmatig door, omdat ze te laat naar het toilet gaat. Ze vertelt dat ze soms krampjes in haar onderbuik voelt en zich schaamt voor haar urineverlies.
Gebruik de casus om de volgende vragen te beantwoorden op papier of digitaal:
1. ADL-handelingen
Welke ADL-handelingen horen bij het ondersteunen van mevrouw Van Gerven tijdens de toiletgang?
Noem er minstens drie en leg bij één uit waarom deze voor haar extra belangrijk is.
2. Hygiënisch werken
Noem twee hygiënische handelingen die je toepast tijdens en na de toiletgang.
3. Veiligheid
Noem twee maatregelen die jij neemt om mevrouw Van Gerven veilig naar het toilet te begeleiden.
4. Respectvolle zorg
Mevrouw schaamt zich.
Hoe zorg jij dat zij zich respectvol en veilig voelt tijdens de toiletgang?
Noem minimaal twee manieren.
5. Vochtinname
Wat zou je tegen mevrouw Van Gerven zeggen om haar toch voldoende te laten drinken, ondanks haar angst voor vaker moeten plassen?
6. Hulpmiddel kiezen
Kies een hulpmiddel dat voor mevrouw Van Gerven passend kan zijn (toilet, postoel, verhoogd toilet, beugels, urinaal, incontinentiemateriaal) en leg uit waarom.
7. Zelfredzaamheid
Op welke manier kun jij mevrouw Van Gerven stimuleren om zelfredzaam te blijven tijdens de toiletgang, zonder haar te overweldigen of te dwingen?
8. Koppeling aan de vochthuishouding
Leg in één zin uit waarom haar donkere urine iets zegt over haar vochthuishouding.
9. Klinisch redeneren
Welke twee signalen uit de casus laten jou denken dat mevrouw extra risico loopt op uitdroging of blaasproblemen?