De heer De Ruiter (76 jaar) woont sinds een paar maanden in een zorginstelling. Hij is mager, maar mobiel met zijn rollator. Hij kan in principe zelfstandig lopen, maar hij wordt snel onzeker als hij haast voelt of als hij denkt dat iets niet gaat lukken.
Hij heeft lichte urine-incontinentie, vooral wanneer hij te laat bij het toilet aankomt. Daarom draagt hij licht incontinentiemateriaal. De afgelopen week merk je dat hij vaker doorlekt en de toiletgang net niet haalt.
Wanneer je hem vraagt of hij naar het toilet wil, zegt hij vaak:
"Nee hoor, laat maar. Ik kan het toch niet zo snel meer. Straks val ik nog."
Hij vraagt tegenwoordig sneller om hulp, zelfs bij handelingen waarvan jij weet dat hij die prima zelf kan, zoals opstaan van de stoel of zijn broek openen. Je merkt dat hij steeds minder probeert en afhankelijker wordt.
In zijn kamer zie je dat:
Hij soms de rollator niet goed parkeert en daardoor wankel opstaat;
De route naar het toilet donker is in de avond;
Hij soms haast maakt zodra hij aandrang voelt en daardoor onveilig loopt;
Zijn inco ’s nachts soms doorlekt omdat hij niet uit bed durft als hij aandrang voelt.
Hij vertelt dat hij zich schaamt voor het urineverlies:
"Het is zo’n gedoe… en ik voel me er ongemakkelijk bij."
Hij durft niet goed aan te geven wanneer hij moet, omdat hij “niemand tot last wil zijn”.
Wanneer je met hem in gesprek gaat, blijkt dat hij vooral bang is om te vallen en dat hij zich ongemakkelijk voelt als hij niet op tijd bij het toilet komt.