kopie 1 - kopie 1 - schedel

Hersenschedel

De hersenschedel (cranium cerebrale) vormt de benige omhulling van de hersenen en de hersenstam. Het bovenste deel, dat je aan de buitenkant kunt voelen, heet het schedeldak, terwijl de schedelbasis de onderzijde vormt waarop de hersenen rusten.

De hersenschedel bestaat uit acht botstukken:

 

voorhoofdsbeen (os frontale)

Het voorhoofdsbeen is een groot, gebogen bot dat de voorkant van de schedel vormt. Het maakt het voorhoofd, het bovenste deel van de oogkassen en een deel van het schedeldak. In dit bot bevinden zich de linker en rechter voorhoofdsholte (sinus frontalis).

Wandbeen (os parietale)

Aan weerszijden van het schedeldak ligt een wandbeen. Samen vormen deze de grootste oppervlakte van de hersenschedel.

Slaapbeen (os temporale)

Onder de wandbeenderen, aan de zijkant van de schedel, ligt het slaapbeen. Dit bot maakt deel uit van de schedelbasis en bevat de opening van de uitwendige gehoorgang.
In het verdikte deel, het rotsbeen (os petrosum), ligt het binnenoor.
Een opvallende structuur is de jukboog (arcus zygomaticus), die naar voren uitsteekt en verbinding maakt met het jukbeen van de aangezichtsschedel.
Aan de onderzijde bevinden zich twee uitsteeksels:

Achterhoofdsbeen (os occipitale)

Het achterhoofdsbeen vormt de achterkant van het schedeldak. In dit bot ligt het achterhoofdsgat (foramen magnum), waar het ruggenmerg de schedel binnengaat. Naast dit gat bevinden zich de achterhoofdsknobbels, die de verbinding vormen met de eerste nekwervel.

Zeefbeen (os ethmoidale)

Het zeefbeen ligt aan de voorzijde van de schedelbasis. Het bevat veel kleine openingen waardoor reukzenuwen passeren. Onderaan vormt het bot een deel van het neustussenschot en de neusschelpen. In dit bot bevindt zich de zeefbeenholte (sinus ethmoidalis), een bijholte met een fijn vertakt netwerk.

Wiggenbeen (os sphenoidale)

Het wiggenbeen ligt centraal in de schedelbasis en heeft een vlindervorm. In het midden bevindt zich een verdieping, het Turkse zadel (sella turcica), waarin de hypofyse ligt. Ook dit bot bevat een bijholte: de wiggenbeenholte (sinus sphenoidalis).

De aangezichtsschedel (cranium viscerale) ondersteunt en beschermt de toegang tot de ademhalings- en spijsverteringswegen. Bovendien hechten hier de spieren van het gezicht en de kaken aan.

De aangezichtsschedel bestaat uit de volgende botten:

Neusbeen (os nasale)

De neusbeenderen liggen direct onder het voorhoofdsbeen en vormen samen het harde, bovenste deel van de neusrug.

Traanbeen (os lacrimale)

Het traanbeen is een klein, dun bot aan de binnenzijde van de oogkas. Het bevat een verticale doorgang voor de traanbuis, die traanvocht naar de neusholte afvoert.

Jukbeen (os zygomaticum)

Het jukbeen vormt de buitenrand van de oogkas en maakt verbinding met de jukboog van het slaapbeen. Het bepaalt voor een groot deel de vorm van de wang.

Ploegschaarbeen (os vomer)

Het ploegschaarbeen is een plat bot dat het onderste deel van het neustussenschot vormt en de neusholte in tweeën verdeelt.

Bovenkaak (maxilla)

De bovenkaak ligt aan beide zijden van de neusbeenderen en staat in verbinding met het voorhoofdsbeen. De hoefijzervormige richel aan de onderzijde bevat de tanden en kiezen van het bovengebit.
Het harde gehemelte (palatum durum), onderdeel van de bovenkaak, scheidt de neusholte van de mondholte. Aan weerszijden bevinden zich de bovenkaakholten (sinus maxillaris), de grootste van de neusbijholten.

Onderkaak (mandibula)

De onderkaak is het enige beweegbare bot van de schedel. Het draagt de gebitselementen van het ondergebit en eindigt achteraan met twee knobbels die samen het kaakgewricht vormen.

Tongbeen (os hyoideum)

Het tongbeen is een klein, U-vormig bot in de hals dat niet direct met andere botten is verbonden. Het wordt op zijn plaats gehouden door spieren die eruitzien als gespannen teugels en dient als aanhechtingspunt voor spieren van de tong en de keel.

Wervels

De wervelkolom bestaat uit 33 tot soms 34 afzonderlijke wervels (vertebrae). Deze worden ingedeeld in verschillende groepen, van boven naar beneden:

De hals-, borst- en lendenwervels zijn onderling beweeglijk en met elkaar verbonden via kleine wervelgewrichten. Algemene bouw van een wervel

Elke wervel bestaat uit twee hoofdonderdelen:

Aan de wervelboog bevinden zich verschillende uitsteeksels. Sommige bieden aanhechting voor spieren, andere vormen een deel van de gewrichten tussen opeenvolgende wervels.

Tussen het wervellichaam en de wervelboog bevindt zich het wervelgat (foramen vertebrale). Alle wervelgaten samen vormen het wervelkanaal, waarin het ruggenmerg veilig ligt opgeborgen.

Tussen twee wervellichamen ligt steeds een tussenwervelschijf (discus intervertebralis). Deze bestaat uit een stevige, vezelige ring van kraakbeen met in het midden een zachte, gelachtige kern.
De tussenwervelschijf werkt als schokdemper: ze vangt druk op bij bewegingen zoals lopen, springen en zitten. Dankzij deze schijven en de kleine gewrichten tussen de wervels is de wervelkolom flexibel en licht buigzaam. 
Specifieke bouw van wervels

De vorm en sterkte van de wervels verschillen per deel van de wervelkolom. Over het algemeen geldt:

Halswervels (vertebrae cervicales)

De zeven halswervels zijn klein en licht gebouwd.
De eerste halswervel heet de atlas. Deze ringvormige wervel heeft geen wervellichaam. Aan de bovenkant bevinden zich twee gewrichtsvlakken die aansluiten op de achterhoofdsknobbels van de schedel, waardoor het hoofd op en neer kan bewegen (ja-knikken).

De tweede halswervel, de draaier (axis), heeft een opvallend omhoogstekend deel: de dens (tand). Deze past in de opening van de atlas en maakt het mogelijk om het hoofd te draaien (nee-schudden).

Aan beide zijden van het wervellichaam bevindt zich een opening waar een wervelslagader en wervelader doorheen lopen.

Borstwervels (vertebrae thoracales)

De twaalf borstwervels zijn groter dan de halswervels. Aan elke borstwervel zijn aan weerszijden ribben bevestigd via kleine gewrichtjes. Hierdoor vormen ze samen met het borstbeen de borstkas.

Lendenwervels (vertebrae lumbales)

De vijf lendenwervels zijn het zwaarst gebouwd. Ze hebben grote wervellichamen, omdat ze het grootste deel van het lichaamsgewicht dragen. Hun stevige bouw zorgt voor stabiliteit, maar toch blijft er enige beweeglijkheid behouden.

Heiligbeenwervels (vertebrae sacrales)

De vijf heiligbeenwervels zijn met elkaar vergroeid tot het heiligbeen (os sacrum), een wigvormig bot aan de onderzijde van de wervelkolom.
In het heiligbeen lopen vier paren zenuwopeningen, waaruit ruggenmergzenuwen treden. Aan weerszijden bevindt zich een groot gewrichtsvlak dat verbinding maakt met het heupbeen. Omdat de wervels hier vergroeid zijn, is er geen beweging mogelijk – dit zorgt voor extra stevigheid van de romp.

Staartbeenwervels (vertebrae coccygeae)

De onderste vier, soms vijf, wervels zijn vergroeid tot het staartbeen (os coccygis). Ze zijn nauwelijks nog als afzonderlijke wervels herkenbaar. Het staartbeen vormt het uiteinde van het wervelkanaal en biedt aanhechtingsplaatsen voor kleine spieren en banden van de bekkenbodem.
Beweging is hier vrijwel niet mogelijk.

Ribben

Er zijn twaalf paar ribben (costae). Het zijn platte, smalle en gebogen botten. Ze zitten met kleine gewrichtjes aan de borstwervels vast. Deze gewrichtjes maken opwaartse en neerwaartse bewegingen van de ribben mogelijk.De bovenste zeven paar ribben worden ware ribben genoemd. Zij zitten aan de voorkant aan het borstbeen vast door middel van een eigen kraakbeenverbinding. De volgende drie paar ribben zijn valse ribben. Deze zijn met een gemeenschappelijk kraakbeenstuk verbonden met de onderste ware rib. Helemaal onderaan zitten twee paar zwevende ribben. Ze zijn vrij kort en hebben geen verbinding met het borstbeen.

Arm

Het skelet van de arm (brachium) bestaat uit drie lange pijpbeenderen:

Opperarmbeen

Het opperarmbeen ligt in de bovenarm en is een lang pijpbeen dat de arm een grote reikwijdte geeft. Het is verbonden met de schouder via een kogelgewricht. Dit gewricht heeft een vrij ondiepe kom, waardoor de arm veel bewegingsvrijheid heeft. Sterke gewrichtsbanden houden de kop van het opperarmbeen stevig op zijn plaats.

Ellepijp en spaakbeen

In de onderarm liggen de ellepijp en het spaakbeen. Samen met het opperarmbeen vormen ze het ellebooggewricht, dat bestaat uit een scharnier- en een rolgewricht.

Het uiteinde van het spaakbeen aan de polszijde is breed, plat en komvormig. Dit vormt grotendeels de kom voor het polsgewricht, een ellipsvormig gewricht.

Hand

De hand (manus) bestaat uit 27 botten, verdeeld in drie groepen:

Handwortelbeentjes

De handwortelbeentjes vormen twee rijen van vier botjes. Ze zijn onderling verbonden via kleine vlakgewrichten. Drie van de handwortelbeentjes aan de polszijde vormen de kom van het polsgewricht.

Middenhandsbeentjes

De middenhandsbeentjes zijn kleine pijpbeenderen die samen de handpalm vormen. Ze zijn verbonden met de buitenste rij handwortelbeentjes via scharniergewrichten.
Tussen het middenhandsbeentje van de duim en de handwortel zit een zadelgewricht, waardoor de duim onafhankelijk kan bewegen en tegenover de andere vingers kan worden geplaatst.

Vingerkootjes

De vingerkootjes zijn verbonden via scharniergewrichten, zowel onderling als met de middenhandsbeentjes, waardoor buigen en strekken van de vingers mogelijk is.

Been

Het been heeft twee belangrijke functies: het draagt het lichaam (steunfunctie) en maakt voortbeweging mogelijk (loopfunctie).
De beenderen van het been zijn stevig, lang en zodanig gevormd dat ze kracht en stabiliteit bieden, terwijl de gewrichten voldoende beweeglijk blijven om te lopen, springen en rennen.

Het been bestaat uit de volgende botten:

Dijbeen

Het dijbeen is het langste en sterkste pijpbeen van het menselijk lichaam.
De bovenkant van het dijbeen heeft een ronde kop, die met het heupbeen een kogelgewricht vormt. Hierdoor is een grote beweeglijkheid van het been mogelijk. Het gewricht wordt verstevigd door sterke gewrichtsbanden.

Tussen de kop en de schacht bevindt zich de dijbeenhals (collum femoris), die onder een hoek van ongeveer 125° met de schacht staat. Door deze schuine stand moet het dijbeen veel verticale krachten opvangen, waardoor het een kwetsbaar punt is.
Aan de onderzijde is het dijbeen verbreed en vormt het de gewrichtsvlakken van het kniegewricht.

Kniegewricht

Het kniegewricht is een complex scharniergewricht dat buigen, strekken en beperkte draaibewegingen van het onderbeen mogelijk maakt.
Het gewricht bestaat uit drie botten:

knieschijf (patella)

Aan de voorzijde ligt de knieschijf (patella), die in de kniepees is ingebed. De voorzijde van de knieschijf bestaat uit bot, terwijl de achterzijde met hyalien kraakbeen is bekleed.
De knieschijf beschermt de knie tegen wrijving en beschadiging en versterkt de werking van de bovenbeenspieren.
Binnen in het gewricht liggen twee stevige kruisbanden, die voorkomen dat het onderbeen te ver naar voren of naar achteren schuift.

Scheenbeen en kuitbeen

Het scheenbeen (tibia) en het kuitbeen (fibula) vormen samen het onderbeen.
Het scheenbeen ligt aan de voorzijde en is over bijna de hele lengte onder de huid te voelen. De bovenkant vormt de kom van het kniegewricht, terwijl de onderkant onderdeel is van het enkelgewricht.

Achter het scheenbeen ligt het slankere kuitbeen. Dit bot maakt geen deel uit van het kniegewricht en heeft weinig draagfunctie.
De onderzijde van het kuitbeen vormt echter wél een gewrichtsvlak van de enkel.
Tussen het scheen- en kuitbeen bevindt zich een stevige bindweefselplaat, die dient als aanhechtingsplaats voor spieren.

voet

De voet (pes) bestaat, net als de hand, uit een groot aantal kleine botjes die samen zorgen voor stabiliteit, veerkracht en beweeglijkheid.
In totaal bevat de voet 26 botten, verdeeld in:

Voetwortelbeentjes

De voetwortelbeentjes zijn korte botten die door kleine vlakke gewrichten met elkaar verbonden zijn.
Een opvallend bot in deze groep is het sprongbeen (talus), dat een centrale rol speelt in het enkelgewricht.

Middenvoetsbeentjes

De vijf middenvoetsbeentjes zijn kleine pijpbeenderen die de verbinding vormen tussen de voetwortel en de tenen. Ze dragen het lichaamsgewicht bij het staan en lopen en vormen de basis van de voetboog.

Teenkootjes

Elke voet heeft veertien teenkootjes.
De grote teen heeft twee kootjes, terwijl de overige tenen er drie hebben.
Tussen de teenkootjes onderling en tussen de middenvoetsbeentjes en de teenkootjes bevinden zich scharniergewrichten, die zorgen voor buig- en strekbewegingen van de tenen.