Afsluiting

Maak de volgende opgaven in je schrift.

▲ Vraag 1. Welke drie soorten dingen zijn er volgende de tekst?

▲ Vraag 2. Noem drie voorbeelden van levende dingen uit de tekst.

▲ Vraag 3. Waarom zijn levenloze dingen toch belangrijk voor levende organismen?
A) Ze veranderen vanzelf in levende organismen
B) Ze zijn nodig als voeding of voor overleving
C) Ze kunnen doodgaan
D) Ze zorgen voor voortplanting 

Vraag 4. Welke uitspraak klopt?
A) Levenloze dingen hebben nooit geleefd
B) Dode dingen zijn altijd ook levenloos
C) Levende organismen kunnen overleven zonder dode of levenloze dingen
D) Een boom is altijd dood

Vraag 5. Zet achter ieder ding of het dood, levend of levenloos is.

Een hond LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS
Een steen LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS
Een platgereden kikker LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS
Water LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS
Lucht LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS
Aap LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS
Een omgevallen boom LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS
Een schimmel die groeit op een dode boom LEVEND  /  DOOD  /  LEVENLOOS


Vraag 6. Een vis zwemt in een vijver. Hij ademt zuurstof uit het water en eet insecten. Welke categorieën (levend, dood, levenloos) zie je in dit voorbeeld terug?

Vraag 7. In een bos ligt een omgevallen boomstam waar paddenstoelen op groeien. Leg uit welke categorieën (levend, dood, levenloos) hier een rol spelen.

Vraag 8. Kan een dood ding ooit weer levend worden?

Vraag 9. Een kikker wordt platgereden door een auto.
Was de kikker levend, dood of levenloos voordat die werd platgereden?

☆ Vraag 10. De mens gebruikt ook allerlei dode en levenloze dingen om te overleven. 
Geef drie voorbeelden van dode dingen die jij gebruikt om te overleven
Geef ook drie voorbeelden van levenloze dingen die jij gebruikt om te overleven.