Maak de volgende opgaven in je schrift.
▲ Vraag 1. Noem drie voorbeelden van organismen.
▲ Vraag 2. Wat is een orgaanstelsel?
A) Een groep cellen met dezelfde functie
B) Een groep organen die samen een functie uitvoeren
C) Een groep organismen in een ecosysteem
D) Een groep moleculen in een cel
▲ Vraag 3. Wat is het kleinste levende onderdeel van een organisme?
A) Orgaan
B) Orgaanstelsel
C) Cel
D) Bacterie
▲ Vraag 4. Noem drie voorbeelden van organen.
▲ Vraag 5. Schrijf het onderstaande schema over, en verbind de juiste woorden met elkaar.
| 1. Cellen | ● | ● | A. Een geheel van organen die samenwerken |
| 2. Organen | ● | ● | B. Het allerkleinste levende onderdeel |
| 3. Orgaanstelsels | ● | ● | C. Een levend wezen (bijvoorbeeld mens, plant of dier) |
| 4. Organismen | ● | ● | D. Een deel van een orgaanstelsel met een eigen functie |
Vraag 6. Welke van de onderstaande dingen is geen organisme?
A) Bacterie
B) Steen
C) Tijger
D) Plant
Vraag 7. Schrijf achter iedere zin of het juist of onjuist is.
| Een orgaanstelsel bestaat uit verschillende cellen | JUIST / ONJUIST |
| Bacteriën zijn organismen | JUIST / ONJUIST |
Vraag 8. Schrijf het onderstaande schema over, en verbind de juiste woorden met elkaar.
| 1. Cellen | ● | ● | A. Het hart |
| 2. Organen | ● | ● | B. Een dierlijke cel |
| 3. Orgaanstelsels | ● | ● | C. Het ademhalingsstelsel |
| 4. Organismen | ● | ● | D. Een oude boom |
☆ Vraag 9. Denk aan een orgaanstelsel, zoals bijvoorbeeld het verteringsstelsel. Welke organen horen hierbij?
☆ Vraag 10. Vergelijk een mens met een bacterie. Wat zijn volgens jou de belangrijkste verschillen?