Oefenen

Maak de volgende opgaven in je schrift.

▲ Vraag 11. Wat gebeurt er met de eicel na de bevruchting?
A) Hij verdwijnt na enkele dagen
B) Hij deelt zich vaak en groeit uit tot een organisme
C) Hij verandert in een zaadcel
D) Hij blijft altijd hetzelfde

▲ Vraag 12. Hoe noemen we een fout in de kopie van het DNA?

▲ Vraag 13. Wat is een mutatie?
A) Een normale celdeling
B) Een verandering in het DNA tijdens de celdeling
C) Een nieuwe cel die ontstaat uit deling
D) Een erfelijke ziekte

▲ Vraag 14. Wat gebeurt er als een mutatie plaatsvindt in een eicel of zaadcel?
A) Er gebeurt niets
B) Het kind kan geboren worden met een erfelijke ziekte
C) De zaadcel kan niet meer bevruchten
D) Het organisme groeit sneller

Vraag 15. Schrijf het onderstaande schema over, en verbind de woorden met de juiste omschrijving.

1. Mutatie A. Wordt doorgegeven aan kinderen via eicel of zaadcel
2. Erfelijke ziekte B. Het delen van een cel
3. Celdeling ●                        ●    C. Kopie van een cel die afwijkt


Vraag 16. Sam heeft een erfelijke ziekte, waardoor hij niet zo goed kan zien. Wat betekent dit voor zijn kinderen, en waarom?

☆ Vraag 17. Een sporter traint zijn spieren vaak, en krijgt daardoor meer armspieren. Hoe kan celdeling hierbij een rol spelen?

☆ Vraag 18. Stel dat een mutatie ervoor zorgt dat iemand beter beschermd is tegen een bepaalde ziekte. Leg uit waarom dit een positieve mutatie wordt genoemd.

☆ Vraag 19. Waarom kan een mutatie in gewone lichaamscellen niet worden doorgegeven aan kinderen, maar een mutatie in een eicel of zaadcel wel?