Dit is een samenvatting van de eerste paragraaf. Deze is behandeld in les 1 tot en met 3.
|
Van molecuul tot organisme Tijdens dit thema ga je alles leren over het leven. In het vorige thema heb je geleerd wat moleculen zijn. Dit zijn de kleinste deeltjes met de eigenschap van een stof. Moleculen vormen samen cellen. Cellen zijn de allerkleinste levende onderdelen in een organisme. Meerdere cellen vormen samen organen. Organen zijn groepjes cellen die samen een functie vervullen. Voorbeelden zijn het hart, de longen of de maag. Groepjes organen die samenwerken noemen we orgaanstelsels. Hierdoor kunnen meercellige organismen ademhalen of eten verteren. Een levend wezen noemen we een organisme. Voorbeelden van organismen zijn een mens, dier, plant, bacterie of schimmel.
|
|
Cellen Cellen zijn de allerkleinste levende onderdelen van een organisme. Je kan deze normaal gesproken niet zien. Met een microscoop kan dat wel. Als je een cel bekijkt met een microscoop, kan je zien dat niet alle organismen dezelfde soort cellen hebben. Een dierlijke cel bestaat uit een zachte buitenkant en een celkern. Een plantaardige cel bestaat uit een harde buitenkant en een celkern.
|
|
De cel als fabriek Cellen kan je ook zien als een soort fabriek. Ze kunnen allerlei stoffen omzetten naar andere stoffen. Als de cel een fabriek is, is de celkern het kantoor: vanuit daar wordt alles aangestuurd. In de celkern ligt ook het DNA. Het DNA is eigenlijk het script voor de cel: hierin staat beschreven wat alle onderdelen van de cel moeten doen. Het DNA is uniek. Ieder organisme zijn eigen DNA, wat ervoor zorgt dat ieder organisme anders gebouwd wordt. Zelfs ieder mens heeft zijn eigen DNA. We kunnen dit gebruiken om er bijvoorbeeld achter te komen of iemand familie is, of om misdaden op te lossen.
Het DNA |