Paragraaf 3: Evolutie

Dit is een samenvatting van de derde paragraaf. Deze is behandeld in les 7 tot en met 11.

Voortplanting

Alle organismen vermenigvuldigen zich. We noemen dit voortplanting.

Bacteriën en sommige dieren kunnen zich voortplanten door celdeling. Hierbij worden de cellen gedeeld, en blijft het DNA hetzelfde.

Bij veel planten en de meeste dieren vindt voortplanting plaats door bevruchting.
Voor bevruchting heb je twee cellen nodig:
- Een eicel (vrouwelijk)
- Een zaadcel (mannelijk)

Bij planten zitten de eicellen en zaadcellen in de bloem
De zaadcel van de ene plant wordt verspreid door de wind of via dieren.
Uiteindelijk komt dit dan terecht bij de eicel van een andere plant van dezelfde soort.

Bij de meeste dieren dragen de mannetjes de zaadcellen en de vrouwtjes de eicellen. De zaadcellen van de mannetjes bevruchten de eicellen van de vrouwtjes dan door paring.

Bij bevruchting wordt het DNA van het nieuwe organisme een combinatie van het DNA van de zaadcel en de eicel.

 

Mutaties en evolutie

De eicel gaat zich na de bevruchting heel erg vaak delen. Uiteindelijk groeit dit uit tot een volledig organisme. Ook als een organisme volgroeid is, blijven cellen zich delen. Oude cellen worden dan vervangen door nieuwe.

Soms gaat er iets mis bij het kopiëren van de cel.
We noemen dat een mutatie.

Mutaties kunnen positief zijn, maar meestal zijn ze negatief.
Kanker is een voorbeeld van een negatieve mutatie.

Wanneer een mutatie plaatsvindt in een eicel of een zaadcel, kan dit ervoor zorgen dat het kind met een ziekte geboren worden. Dat heet een erfelijke ziekte.

Iemand met een erfelijke ziekte, geeft dit ook weer door aan zijn of haar nakomelingen. Dat is een ander woord voor de kinderen van een organisme.


Een voorbeeld van een mutatie. In de eerste celdeling gaat het mis, en de mutatie wordt doorgegeven aan alle volgende cellen (Wikiwijs)

 

Natuurlijke selectie

Sommige mutaties zijn niet negatief, maar positief. Ze geven nakomelingen een voordeel ten opzichte van de rest van de soort.

Nakomelingen met zo’n positieve mutatie hebben een grotere kans om te overleven. Ze krijgen ook vaker zelf nakomelingen.

Dit noemen we natuurlijke selectie.
In het Engels heet dit survival of the fittest.
Dit is een belangrijk onderdeel van de evolutie.

 

Soortvorming

Wanneer twee groepen van dezelfde soort voor lange tijd gescheiden raken, kan er een nieuwe soort ontstaan.

Elke groep leeft in een andere omgeving en past zich daaraan aan.

Na heel veel tijd zijn de groepen zo verschillend geworden, dat ze niet meer met elkaar kunnen voortplanten. Dat noemen we een nieuwe soort.

Alle planten en dieren op aarde zijn uiteindelijk ontstaan uit één soort.

Door heel veel mutaties en veranderingen zijn daar alle soorten uit voortgekomen die we nu kennen.


Een voorbeeld van soortvorming (naar: Wikiwijs)

 

Kunstmatige selectie

Hiervoor heb je veel geleerd over natuurlijke selectie en natuurlijke soortvorming.

We kunnen selectie ook een handje helpen. Dan kiezen we bewust de beste combinatie tussen planten of dieren. We noemen dat kunstmatige selectie.

Bij dieren het dit fokken. Een voorbeeld is een bulldog, die hierdoor een steeds kleinere neus heeft gekregen.

Bij planten heet dit veredeling. Veel groente en fruit is veredeld zodat het lekkerder is of een mooiere kleur krijgt.

Veredeling bij planten: veel verschillende groenten zijn gekweekt vanuit de brassica plant (bron: Wikimedia) Fokken bij dieren: de bulldog heeft een kleine neus door fokken (bron: Wikimedia)

 

 

Genetische modificatie

Het is mensen ook gelukt om direct het DNA van organismes aan te passen. Dit noemen we genetische modificatie. Daardoor kunnen ziektes uit het DNA worden verwijderd, of nieuwe eigenschappen worden toegevoegd.

Veel mensen hebben kritiek op genetische modificatie, met name bij mensen. Zij vinden dat we niet zomaar mogen sleutelen aan ons eigen DNA.

 

☆ Verdiepingsles: het ontstaan van de mens

Heel lang geleden, miljarden jaren terug, begon het leven op aarde met bacteriën.

Door heel veel mutaties en veranderingen zijn daar steeds meer soorten planten en dieren uit ontstaan.

Na miljoenen jaren ontstonden er ook dieren die op apen leken.
Uit die groep is uiteindelijk de mens ontstaan.

De mens is dus niet uit de aap ontstaan, maar mensen en apen hebben een gemeenschappelijke voorouder. Daarom lijkt het DNA van apen veel op het DNA van mensen.

Hieronder zie je hoeveel DNA de mens gemeen heeft met verschillende organismen:


De overeenkomsten tussen het DNA van mensen en andere organismen