Dit is een samenvatting van de derde paragraaf. Deze is behandeld in les 12 tot en met 15.
|
Levend, dood en levenloos In deze paragraaf leer je hoe organismen omgaan met hun omgeving. Er zijn drie soorten dingen: levend, dood en levenloos. Levende dingen zijn organismen die nu leven, zoals een mens, een hond of een boom. Dode dingen zijn organismen die eerst leefden, maar nu niet meer. Bijvoorbeeld een dode boom of een platgereden kikker. Levenloze dingen zijn dingen die nooit hebben geleefd, zoals een steen, water of lucht. Levende organismen gebruiken dode en levenloze dingen om te kunnen overleven. |
|
De kringloop in de natuur In de natuur werken levende, dode en levenloze dingen samen. Alles hangt met elkaar samen in een kringloop. Hieronder zie je een voorbeeld van een kringloop.
Deze bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Een slak eet een krop sla Deze kringloop wordt onderhouden door levenloze dingen, zoals water en zonlicht. Alles samen noemen we een ecosysteem. In een ecosysteem werken alle organismen en levenloze dingen samen, zodat alles blijft functioneren. De mens is ook onderdeel van het ecosysteem en de kringloop. Wij eten bijvoorbeeld dieren (vlees) of planten (groente en fruit). |
|
Verstoringen van het ecosysteem Als een soort in een ecosysteem verdwijnt of juist heel veel wordt, kan het ecosysteem verstoord worden. Voorbeelden van verstoringen van het ecosysteem zijn: Soms is er ineens te veel van één soort. Dat noemen we een plaag. Een voorbeeld van een plaag in Nederland is de rode rivierkreeft. Er zijn er zoveel van, dat dit problemen veroorzaakt in sloten en rivieren.
|
|
Weerbaarheid van een ecosysteem Een ecosysteem is sterker en weerbaarder wanneer er veel verschillende soorten planten en dieren zijn. Als één soort verdwijnt, kunnen andere soorten vaak de rol overnemen. Een voorbeeld: Het is voor mensen ook belangrijk dat ecosystemen weerbaar zijn. Daarom is het belangrijk om ecosystemen goed te beschermen.
|