Paragraaf 4: Ecologie

Dit is een samenvatting van de derde paragraaf. Deze is behandeld in les 12 tot en met 15.

Levend, dood en levenloos

In deze paragraaf leer je hoe organismen omgaan met hun omgeving.

Er zijn drie soorten dingen: levend, dood en levenloos.

Levende dingen zijn organismen die nu leven, zoals een mens, een hond of een boom.

Dode dingen zijn organismen die eerst leefden, maar nu niet meer. Bijvoorbeeld een dode boom of een platgereden kikker.

Levenloze dingen zijn dingen die nooit hebben geleefd, zoals een steen, water of lucht.

Levende organismen gebruiken dode en levenloze dingen om te kunnen overleven.
Bijvoorbeeld: planten hebben water (levenloos) nodig om te groeien, en paddenstoelen leven van dode bomen.

 

De kringloop in de natuur

In de natuur werken levende, dode en levenloze dingen samen. Alles hangt met elkaar samen in een kringloop.

Hieronder zie je een voorbeeld van een kringloop.


Een voorbeeld van een kringloop

Deze bestaat uit de volgende onderdelen:

1.    Een slak eet een krop sla
2.    Een vogel eet een slak
3.    Een kat eet een vogel
4.    Een vogel poept
5.    De krop sla groeit door de voedingsstoffen in de poep

Deze kringloop wordt onderhouden door levenloze dingen, zoals water en zonlicht.

Alles samen noemen we een ecosysteem

In een ecosysteem werken alle organismen en levenloze dingen samen, zodat alles blijft functioneren.

De mens is ook onderdeel van het ecosysteem en de kringloop. Wij eten bijvoorbeeld dieren (vlees) of planten (groente en fruit).

 

Verstoringen van het ecosysteem

Als een soort in een ecosysteem verdwijnt of juist heel veel wordt, kan het ecosysteem verstoord worden.
Dat heeft gevolgen voor andere organismen in het ecosysteem.

Voorbeelden van verstoringen van het ecosysteem zijn:
-    Te veel konijnen eten alle planten op. Andere dieren hebben dan te weinig voedsel.
-    Een ziekte kan veel dieren tegelijk doden, zoals vogelgriep.
-    Wanneer mensen een bos kappen, kunnen dieren zoals slakken niet meer genoeg voedsel vinden.

Soms is er ineens te veel van één soort. Dat noemen we een plaag

Een voorbeeld van een plaag in Nederland is de rode rivierkreeft. Er zijn er zoveel van, dat dit problemen veroorzaakt in sloten en rivieren.

Een gekapt bos Een rode rivierkreeft

 

Weerbaarheid van een ecosysteem

Een ecosysteem is sterker en weerbaarder wanneer er veel verschillende soorten planten en dieren zijn. Als één soort verdwijnt, kunnen andere soorten vaak de rol overnemen.

Een voorbeeld:
In een bos met veel verschillende insecten kan een vogel altijd iets vinden om te eten.
Maar als er maar één soort insect is en die verdwijnt, heeft de vogel geen voedsel meer.

Het is voor mensen ook belangrijk dat ecosystemen weerbaar zijn. 
Als er grote verstoringen in de ecosystemen zijn, kan dat ervoor zorgen dat wij niet meer te eten hebben.

Daarom is het belangrijk om ecosystemen goed te beschermen.


Een bos met veel verschillende soorten organismen