Maak de volgende opgaven in je schrift.
▲ Vraag 1. Wat betekent voortplanting?
▲ Vraag 2. Wat gebeurt er met het DNA van een bacterie bij celdeling?
▲ Vraag 3. Waar bevinden zich de eicellen en zaadcellen zich bij planten?
▲ Vraag 4. Wat gebeurt er met het DNA tijdens de voortplanting?
A) Het DNA wordt een mix van het DNA van de eicel en de zaadcel
B) Het DNA blijft hetzelfde
C) De helft van het DNA gaat verloren
D) Het DNA gaat verloren
▲ Vraag 5. Wat gebeurt er bij paring bij dieren?
A) Er ontstaat een kloon van de ouder
B) Een eicel wordt bevrucht door zaadcellen
C) Het DNA blijft precies hetzelfde
D) Het vrouwtje maakt zelf zaden
▲ Vraag 6. Hoe heet het moment dat een zaadcel en eicel samenkomen bij dieren?
Vraag 7. Voortplanting bij bacteriën en de meeste dieren werkt heel anders.
Wat is het verschil tussen het DNA van de nakomelingen van bacteriën en dieren?
Vraag 8. Schrijf achter iedere zin of het juist of onjuist is.
|
Bij deling blijft het DNA meestal hetzelfde. |
JUIST / ONJUIST JUIST / ONJUIST JUIST / ONJUIST |
☆ Vraag 9. Kinderen lijken bijna altijd een beetje op allebei hun ouders. Hoe kan dat? Gebruik het woord ‘DNA’ in het antwoord.
☆ Vraag 10. Tussen het DNA van dieren die zich voortplanten, zitten vaak veel verschillen. Het DNA van veel bacteriën lijkt echter vaak heel erg op elkaar.
Hoe zou dit kunnen zijn ontstaan?