Je staat vandaag achter je kraam en hebt klanten.
Gebruik de prijslijst en los de volgende situaties op.
Je mag een rekenmachine gebruiken, maar schrijf altijd op welke som je maakt.
Opdracht AOptellen en aftrekken (3pnt)
Een klant koopt 2 kilo bananen (€1,75 per kilo) en 1 brood (€2,35).
Hoeveel moet de klant betalen? Laat je berekening zien
De klant betaald met €10. Hoeveel wisselgeld krijgt hij terug?
Opdracht BVermenigvuldigen en delen (3pnt)
1 appel kost €0,45. Hoeveel kosten 15 appels? Laat je berekening zien.
10 appels kosten samen €3,90. Wat kost 1 appel? Laat je berekening zien.
Een klant koopt 3 halve kilo’s kaas. Wat betaalt hij in totaal (prijs per 500 g: €3,45)? Laat je berekening zien.
Opdracht C Rekenvolgorde (4pnt)
Zoek op internet op wat de rekenvolgorde is.
Geef in je eigen woorden aan wat er wordt bedoeld met de rekenvolgorde.
Geef een voorbeeld waarbij de rekenvolgorde is uitgewerkt.
Bij een actie geldt: (3 × €2,50 + 4 × €1,75) – €2 korting. Bereken hoeveel de klant moet betalen. Laat je berekening zien.
Onderdeel DBreuken (4pnt)
Een hele watermeloen weegt 4 kg.
Zoek op internet een filmpje op over breuken waarin duidelijk wordt uitgelegd hoe breuken werken.
Leg in eigen woorden iets uit over breuken.
Een klant koopt ¾ van een watermeloen. Hoeveel kg weegt dat stuk? Laat je berekening zien.
Een brood wordt in 8 stukken gesneden. Een klant koopt 3 stukken. Welke breuk hoort daarbij? Laat je berekening zien.
Onderdeel EBreuken en decimalen (6pnt)
Hoe zet je breuken om naar decimalen? Als je het antwoord niet weet zoek je het op internet op.
Zet de volgende breuken om in decimalen:
½ = ___
¼ = ___
¾ = ___
Reken met gewichten
½ kilo = ___ kg
¼ liter = ___ liter