Oefenen

Maak de volgende opgaven in je schrift.

Vraag 35. Wat is het kookpunt van water?

Vraag 36. Bij welke temperatuur smelt ijs?

Vraag 37. Schrijf deze tekst over en vul aan.
Het __________ is de temperatuur waarbij een stof begint te koken.
Het __________ is de temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar wordt.

Vraag 38. Wat gebeurt er als je alcohol verwarmt tot 78 °C?
A) Het bevriest
B) Het smelt
C) Het verdampt
D) Het condenseert

Vraag 39. Welke van deze stoffen smelt het eerst?
A) IJzer (1538 °C)
B) Boter (±30 °C)
C) Alcohol (–114 °C)
D) Water (0 °C)

Vraag 40. Wat is waar?
A) Water kookt altijd bij 78 °C
B) IJzer smelt sneller dan water
C) Smeltpunt en kookpunt zijn stofeigenschappen
D) Elke stof kookt bij 100 °C

☆ Vraag 41. Waarom is het kookpunt een stofeigenschap?
A) Omdat je het kunt veranderen
B) Omdat het alleen bij vaste stoffen hoort
C) Omdat het bij elke stof anders is
D) Omdat het altijd 100 °C is

☆ Vraag 42. Je zet een glas water in de vriezer. Na een tijdje is het ijs geworden. Bij welke temperatuur is dat gebeurd, en wat is de fase-overgang?

☆ Vraag 43. Je wil twee vloeistoffen onderzoeken. Eentje is alcohol, de andere water. Je verwarmt ze en meet het kookpunt. De resultaten zijn:
Stof A kookt bij 78 °C 
Stof B kookt bij 100 °C
Wat is stof A? En wat is stof B?