Maak de volgende opgaven in je schrift.
Vraag 22. In een vaste stof zitten de moleculen…
A) Los van elkaar
B) Op grote afstand van elkaar
C) Heel dicht tegen elkaar aan
D) Niet meer
Vraag 23. Schrijf deze tekst over en vul aan.
In een vloeistof bewegen de moleculen _____________.
Vraag 24. Welke van deze stoffen is een gas?
A) Zout
B) Water
C) Zuurstof
D) Olie
Vraag 25. Welke van deze stoffen is normaal gesproken vloeibaar?
A) Metaal
B) Benzine
C) Suiker
D) Hout
Vraag 26. Wat is een belangrijk verschil tussen een vloeistof en een gas?
A) In een vloeistof bewegen de moleculen sneller
B) In een gas blijven de moleculen stil
C) In een vloeistof blijven de moleculen bij elkaar
D) In een gas zitten de moleculen vast
☆ Vraag 25. Stel, je hebt een ijsblokje op een warme dag.
Beschrijf wat er met de moleculen gebeurt als het eerst vloeibaar wordt en daarna een gas wordt.
☆ Vraag 27. Welke eigenschappen van een gas maken het moeilijk om te bewaren in een open bak?