Maak de volgende opgaven in je schrift.
Vraag 28. Schrijf de onderstaande figuur worden over. Verbind de juiste fase-overgangen met elkaar.
| 1. Smelten | ● | ● | A. Gas naar vloeistof |
| 2. Stollen / bevriezen | ● | ● | B. Vloeistof naar vaste stof |
| 3. Condenseren | ● | ● | C. Vaste stof naar vloeistof |
| 4. Verdampen | ● | ● | D. Vloeistof naar gas |
Vraag 29. Vul de onderstaande zin aan:
Als ijs verandert in water, noemen we dat _______.
Vraag 30. Wat gebeurt er met de moleculen als water verdampt?
A) Ze gaan trillen op hun plek
B) Ze bewegen langzamer
C) Ze bewegen sneller en ontsnappen
D) Ze worden groter
Vraag 31. Regen ontstaat in wolken. Hierin wordt waterdamp omgezet naar regen. Welke fase-overgang hoort bij het ontstaan van regendruppels uit wolken?
A) Verdampen
B) Smelten
C) Condenseren
D) Stollen
Vraag 32. Op een koude winterdag zie je op ramen soms allerlei druppeltjes ontstaan. Door welke fase-overgang ontstaat dit?
☆ Vraag 33. Je ziet stoom uit een pan komen tijdens het koken.
Welke fase-overgang zie je? En in welke fase zitten de moleculen daarna?
☆ Vraag 34. In de vriezer leg je een fles met water. Na een tijdje is het water bevroren.
Leg uit wat er in die tijd met de moleculen gebeurt.