Maak de volgende opgaven in je schrift.
Vraag 31. Wat gebeurt er met de atomen bij een chemische reactie?
A) Ze verdwijnen
B) Ze wisselen van plek en vormen nieuwe moleculen
C) Er komen nieuwe atomen bij
D) Ze worden kleiner
Vraag 32. Kijk naar de afbeelding in de uitlegtekst.
Hoeveel H-atomen zijn er aan het begin?
En hoeveel zijn er aan het eind?
Vraag 33. Kijk nog eens naar de afbeelding in de uitlegtekst.
Hoeveel O-atomen zijn er aan het begin?
En hoeveel zijn er aan het eind?
Vraag 34. Kijk nog eens naar de afbeelding in de uitlegtekst.
Welke moleculen zijn er aan het begin?
Vraag 35. Kijk nog eens naar de afbeelding in de uitlegtekst.
Welke moleculen zijn er aan het eind?
Vraag 36. Schrijf deze tekst over en vul aan:
Bij een chemische reactie ontstaan er nieuwe __________, maar het aantal __________ blijft gelijk.
☆ Vraag 37. Stel: je hebt maar 1 zuurstofmolecuul (O₂) en 2 waterstofmoleculen (H₂).
Kun je dan precies 2 watermoleculen maken zonder atomen over te houden?
Leg je antwoord uit.
☆ Vraag 38. In de afbeelding ontstaan 2 watermoleculen (H₂O).
Hoeveel H₂-moleculen heb je nodig om 4 H₂O-moleculen te maken?
En hoeveel O₂-moleculen heb je dan nodig?
Leg uit hoe je dat weet.