Maak de volgende opgaven in je schrift.
Vraag 24. Wat is een atoom?
A) Een klein stukje plastic
B) Een deel van een molecuul
C) Een scheikundig mengsel
D) Een gasbel
Vraag 25. Schrijf deze tekst over en vul aan.
Een molecuul is opgebouwd uit kleine deeltjes. Die noem je __________.
Vraag 26. Hoeveel verschillende soorten atomen zijn er ongeveer?
Vraag 27. Waaruit bestaat een molecuul water (H₂O)?
A) 1 keer waterstof en 1 keer zuurstof
B) 2 keer zuurstof en 1 keer waterstof
C) 2 keer waterstof en 1 keer zuurstof
D) 1 keer zuurstof en 1 keer stikstof
Vraag 28. Wat betekent de kleine ‘2’ in de formule H₂O?
A) Het is water van 2 graden
B) Het molecuul is 2 keer zo zwaar
C) Er zitten 2 atomen waterstof in
D) Er zijn 2 moleculen
Vraag 29. Waarom gebruiken we letters voor atomen, zoals H of O?
A) Omdat de atomen zo heten
B) Omdat het makkelijker is om mee te rekenen
C) Omdat elke letter staat voor een mengsel
D) Omdat het er leuk uitziet
☆ Vraag 30. Het molecuul koolstofdioxide wordt aangeduid als CO2.
Hoeveel atomen C zou dat molecuul hebben?
En hoeveel atomen O?