Paragraaf 2: Stoffen

Dit is een samenvatting van de tweede paragraaf. Deze is behandeld in les 7 tot en met 11.

Stofeigenschappen

Wetenschappers zijn al heel lang bezig met onderzoek over stoffen. Alles om je heen is gemaakt van stoffen. Denk aan metaal, plastic, glas, hout, textiel (stof van kleding), en nog veel meer.

Elke stof heeft zijn eigen kenmerken.  Die noem je stofeigenschappen. Hieronder staan een paar voorbeelden van stofeigenschappen.
- Kleur
- Geur
- Smaak
- Sterkte
- Brandbaarheid
- Geleiding
- Magnetisme

Sommige stofeigenschappen kun je zien of voelen, andere kun je testen met een proefje (zoals brandbaarheid of geleiding).

 

Moleculen

Alle stoffen zijn opgebouwd uit hele kleine bouwstenen. Die bouwstenen noemen we moleculen.

Moleculen zijn veel te klein om te zien, maar ze zitten in alles: in water, lucht, steen, plastic en zelfs in jou!

Je kunt een molecuul een beetje vergelijken met een LEGO-steentje: een stof is als een bouwwerk, moleculen zijn de steentjes waaruit dat bouwwerk is gemaakt.

 

Zuivere stoffen en mengsels

Als een stof alleen uit één soort moleculen bestaat, noem je dat een zuivere stof.
Voorbeeld: zuiver water bestaat alleen uit watermoleculen.

Bestaat een stof uit meerdere soorten moleculen, dan noem je het een mengsel.
Voorbeeld: in cola zit water, maar ook suiker en kleurstoffen

 

Stoffen scheiden

Je hebt geleerd dat mengsels bestaan uit meer dan één soort molecuul.
Soms wil je de stoffen in een mengsel van elkaar scheiden, zodat je weer een zuivere stof overhoudt.

Dat kun je doen met een scheidingsmethode. Er zijn heel veel verschillende scheidingsmethoden.

Een voorbeeld is filtreren
Hierbij worden grote stukken gescheiden van kleine stukken door een filter
Een voorbeeld van filtreren gebeurt in een koffiefilter.

Een ander voorbeeld is indampen.
Hierbij verdampt een van de stoffen, en blijft een andere stof liggen.
Een voorbeeld van indampen is het scheiden van water en zout.

 

De drie fasen

Je hebt geleerd dat moleculen de bouwstenen van stoffen zijn.

Die moleculen bewegen – maar hoe ze bewegen, hangt af van de fase van de stof.

We noemen die fasen: vast, vloeibaar en gas.

We noemen dit ook wel toestanden.

undefined

Gas

Moleculen bewegen alle kanten op

Voorbeeld: waterdamp, helium, zuurstof

What Are the Phases of Matter? — Overview & Examples - Expii

Vloeistof

Moleculen bewegen langs elkaar

Voorbeeld: water, benzine, olie

undefined

Vaste stof

Moleculen bewegen bijna niet

Voorbeeld: ijs, hout, metaal

Animaties van Julio Miguel A Enriquez and Monica Muñoz

 

De fase-overgangen

Als je een stof verwarmt of afkoelt, kunnen de moleculen zich anders gaan gedragen.

Soms verandert dan de fase van de stof. Zo’n verandering heet een fase-overgang.

Hieronder staan de fase-overgangen beschreven.


Animaties van Julio Miguel A Enriquez and Monica Muñoz

 

☆ Verdiepingles: Smelt- en kookpunt

Stoffen kunnen smelten, stollen, verdampen en condenseren.

Maar wanneer gebeurt dat precies? Dat hangt af van de temperatuur én van de stof zelf.

Elke stof verandert van fase bij een bepaalde temperatuur. Die temperatuur noem je:
-    Het smeltpunt: de temperatuur waarop een vaste stof smelt tot een vloeistof.
-    Het kookpunt: de temperatuur waarop een vloeistof kookt en gas wordt.

Het smeltpunt en kookpunt zijn stofeigenschappen. Je kunt ze gebruiken om stoffen te herkennen.

Een paar voorbeelden van smelt- en kookpunten van stoffen staan in de tabel.

Stof Smeltpunt Kookpunt
Water 0 °C 100 °C
Alcohol -114 °C 78 °C
IJzer 1538 °C 2862 °C
Zout (keukenzout) 801 °C 1413 °C