Opdracht

Opdracht

Je gaat bedenken in welke situaties het handig is om AI te gebruiken en wanneer het beter is om dat niet te doen.

 

1. Bedenk vier situaties uit je eigen leven (op school of thuis). Het mogen ook voorbeelden zijn uit het werk van je ouders of van andere mensen om je heen.

In elke situatie moet je iets doen, maken of bedenken. Dit kunnen klusjes zijn waar je zelf niet zoveel zin in hebt, maar die wel moeten gebeuren.

Schrijf de vier situaties in een lijst. De situaties hoeven nog niets met AI te maken te hebben.

Voorbeelden om je op weg te helpen:

2. Beslis per situatie:

Wel AI gebruiken: zou AI het voor je kunnen doen? Wat kan het wel en wat niet?

Geen AI gebruiken: waarom is het beter om dit zelf te doen of hulp te vragen aan een mens?


3. Maak een tabel of tekeningen met twee kolommen:

Kolom 1: “AI gebruiken – waarom?”

Kolom 2: “Niet AI gebruiken – waarom niet?”

 

4. Beslis per situatie:

Bespreek in tweetallen: Vergelijk jullie antwoorden en kies samen één voorbeeld waar AI echt slim is om te gebruiken en één voorbeeld waar het juist niet slim is.

 

5. Maak een overzicht: geef aan voor wat voor taken je AI heel goed kunt gebruiken en wat het dan oplevert (bijvoorbeeld tijdwinst of nieuwe ideeën) en welke taken je niet aan AI kunt overlaten omdat het niets oplevert of omdat het het gewoon echt niet kan (bijvoorbeeld je kamer opruimen).