Oefenen

Maak de volgende opgaven in je schrift.

▲ Vraag 1. In welke richting verplaatst warmte zich altijd?
A. Van een lagere temperatuur naar een hogere temperatuur
B. Van een hogere temperatuur naar een lagere temperatuur
C. Alleen in vaste stoffen
D. Naar de plek met de meeste lucht

▲ Vraag 2. Wat is er nodig om warmtetransport te laten plaatsvinden?

▲ Vraag 3. Noem de drie manieren van warmtetransport. 

▲ Vraag 4. Hoe verplaatst warmte zich bij geleiding?

▲ Vraag 5. Geef een voorbeeld van een soort stof die warmte goed geleidt.

▲ Vraag 6. Geef twee voorbeelden van stoffen die warmte niet goed geleiden.

Vraag 7. Een houten lepel in het vuur voelt minder warm aan dan een houten lepel.
Waarom is dat?
A. Omdat hout een goede warmtegeleider is.
B. Omdat metaal minder snel afkoelt.
C. Omdat hout een isolator is en warmte slecht geleidt.
D. Omdat metaal kouder aanvoelt.

Vraag 8. Dieren in koude gebieden, zoals ijsberen, hebben vaak een dikke vacht.
Hoe kan zo’n dikke vacht warmtetransport door geleiding tegengaan?

                  
                       Een ijsbeer                                                       Een pan van Tefal

☆ Vraag 9. In pannen worden vaak plastic handvatten gebruikt, net zoals in de afbeelding hierboven. Waarom is dat?