Maak de volgende opgaven in je schrift.
▲ Vraag 27. Waarvoor heeft je lichaam energie nodig?
▲ Vraag 28. Wat gebeurt er met voedsel in je lichaam?
☆ Vraag 29. Topsporters eten vaak veel meer dan normale mensen. Waarom zouden ze dit moeten doen?
▲ Vraag 30. Wat is de voedingswaarde van een product?
▲ Vraag 31. Er zijn verschillende eenheden voor energie.
Schrijf op welke eenheden worden gebruikt om energie op verpakkingen aan te geven.
Kies uit kilojoule (kJ), gram (g), liter (L), kilocalorie (kcal) en milligram (mg)
Vraag 32. Chocolade bevat veel energie. Wat kan er gebeuren als je er veel van eet?
Vraag 33. Op een yoghurtverpakking zie je staan: 50 kcal per 100 g.
Hoeveel energie (in kcal) krijg je binnen als je hier 200 g van eet?
Vraag 34. Op een yoghurtverpakking zie je staan: 50 kcal per 100 g.
Hoeveel energie (in kcal) krijg je binnen als je hier 200 g van eet?
☆ Vraag 35. Hoe kan energie-informatie helpen bij het voorkomen van overgewicht of ondergewicht?
☆ Vraag 36. Waarom is het handig dat voedingswaarde-informatie per 100 gram of 100 ml wordt weergegeven?