1. Ik kan vertellen uit welke onderdelen een netwerk bestaat.
1.1 Ik begrijp het begrip ‘netwerk’ en kan dit toepassen binnen de juiste context.
1.2 Ik kan het begrip ‘online netwerk’ toepassen binnen de juiste context.
1.3 Ik begrijp het begrip ‘cloud’, weet hoe ik dit kan gebruiken en wat hier de voor- en nadelen van zijn.
1.4 Ik weet dat internet een online netwerk is en hoe data verstuurd kan worden.
1.5 Ik begrijp dat het Internet of Things (een netwerk van apparaten) ook een voorbeeld is van een online netwerk.
2. Ik kan mijn bestanden op een veilige en handige manier opslaan en terugvinden.
2.1 Ik kan mijn bestand een naam geven en opslaan op een logische plek (bijvoorbeeld in een mappenstructuur).
2.2 Ik weet waarvoor wachtwoorden gebruikt worden en ik kan een veilig wachtwoord maken.
2.3 Ik kan bestanden opslaan / terugvinden / kopiëren / verwijderen op verschillende opslagmedia.
3.1 Ik kan een omgaan met de basisfuncties van een presentatieprogramma, zoals Microsoft PowerPoint of Google Presentaties.
3.2 Ik kan omgaan met de basisfuncties van een tekstverwerkingsprogramma, zoals Microsoft Word of Google Documenten.
4. Ik kan het juiste programma bij een opdracht kiezen.
4.1 Ik kan een opdracht uitvoeren of uitwerken met behulp van een bijpassend digitaal programma. Bijvoorbeeld: ik kan de mening van mijn klasgenoten vragen door een quiz te maken in Forms of Kahoot.
5. Ik kan een opdracht maken en dit op een veilige manier delen met anderen.
5.1 Ik kan samenwerken met anderen in eenzelfde bestand.
5.2 Ik kan mijn werk delen met anderen en begrijp wat anderen dan met mijn document kunnen doen (lezen, bewerken).