1. Ik kan een probleem kleiner maken door deze te verdelen in verschillende onderdelen.
1.1 Ik kan een probleem opdelen in logische onderdelen. (Bijvoorbeeld: als ik een grote puzzel maak zoek ik eerst de hoekjes en stukjes met dezelfde kleuren uit).
1.2 Ik kan de onderdelen in een logische volgorde plaatsen.
1.3 Ik kan de onderdelen naar een reeks logische stappen vertalen die zich- zelf steeds herhalen (algoritme).
2. Ik kan een stappenplan maken om zo een probleem op te lossen.
2.1 Ik weet dat een algoritme een reeks opeenvolgende stappen is, die zich steeds herhalen.
2.2 Ik kan een probleem oplossen met behulp van een algoritme.
2.3 Ik weet dat robots werken met een algoritme dat door de mens is geprogrammeerd.
3.1 Ik kan in grote lijnen de werking van een AI-systeem beschrijven
3.2 Ik begrijp dat AI slim wordt door data te bestuderen en daar patronen in te vinden.
3.3 Ik begrijp dat data van mensen afkomstig zijn en dat AI daar gebruik van maakt.
3.4 Ik kan één of twee voorbeelden geven welke invloed AI heeft op de samenleving en de toekomst.
3.5 Ik kan voorbeelden noemen van hoe AI wordt gebruikt in het dagelijks leven, zoals virtuele assistenten (Siri en Google Assistant), aanbevelingen voor films of muziek en zelfrijdende auto's.
4. Ik kan een oplossing van een probleem testen en waar dat nodig is aanpassen.
4.1 Ik kan met passende digitale hulpmiddelen een eenvoudig computerprogramma schrijven dat mijn probleem simuleert (nabootst). (bijvoorbeeld met ‘Blockly’ een programmeertaal voor kinderen die werkt met blokken en variabelen, zoals het programma Scratch).
4.2 Ik kan controleren of het computerprogramma dat ik gemaakt heb klopt en begrijp wat ik moet doen om het eventueel aan te passen.
5. Ik kan omschrijven hoe een oplossing ook bij een ander probleem ingezet kan worden.
5.1 Ik kan de stappen van een probleem weergeven in een model, tekening of schema. Bijvoorbeeld: hoe kom ik van de school naar huis? Teken of programmeer een routekaart.
5.2 Ik kan een model, tekening of een schema gebruiken voor het oplossen van verschillende, soortgelijke problemen. Bijvoorbeeld: ik kan dezelfde routekaart gebruiken om ook de weg van huis naar de winkel te tekenen of programmeren.
5.3 Ik weet dat AI en computers geen gevoel en emoties hebben, maar dat het wel kan lijken alsof je met een mens praat.