Mediawijsheid

1. Ik kan omschrijven welke boodschap de maker van een media-boodschap wil overbrengen.

1.1 Ik kan benoemen hoe een mediaboodschap mij probeert te vermaken, te informeren en/of te overtuigen. Bijvoorbeeld: de leerling kan aangeven of een nieuwsbericht of online artikel hem/haar overtuigt, informeert en/of vermaakt.

1.2 Ik ken de begrippen ‘meningen’ en ‘feiten’ en kan van allebei een voorbeeld noemen.

1.3 Ik weet dat er verschillende soorten mediaboodschappen zijn (krantenbericht, nieuwsitem, website, tv-programma) die meningen of feiten verkondigen.

1.4 Ik begrijp dat een boodschap op verschillende manieren kan worden ontvangen. Bijvoorbeeld: het vertrekpunt, de context, je eigen omgeving en leefomstandigheden bepalen vaak hoe je een boodschap leest.

2. Ik kan kritisch nadenken over de betrouwbaarheid van een media-bericht.

2.1 Ik ben bekend met de term nepnieuws en kan twee voorbeelden hiervan noemen.

2.2 Ik oefen met verschillende tips en richtlijnen die ik kan gebruiken om te controleren of een mediaboodschap betrouwbaar is. Bijvoorbeeld: controleer de bron van een bericht, is dit een wetenschappelijk onderzoek of sociale media? En kloppen de foto's, cijfers of video’s?

2.3 Ik kan een paar voorbeelden noemen van hoe kunstmatige intelligentie gebruikt wordt om media te manipuleren. Bijvoorbeeld Deep Fake, Voice Cloning etc.

3. Ik kan vertellen op welke manieren ik media gebruik (bijvoorbeeld; hoe vaak en welke soorten) en welke rol dit in onze levens en in de wereld speelt.

3.1 Ik kan 4 vormen van media benoemen die ik zelf gebruik of in mijn omgeving zie.

3.2 Ik herken hoe en wanneer ik word afgeleid door mediagebruik.

3.3 Ik ben me bewust van hoeveel tijd ik besteed op digitale apparaten.

3.4 Ik ben me bewust dat media overal aanwezig is in onze leefwereld, bijvoorbeeld in vorm van avatars die gebruikt worden in games, sociale media en de zorg.

4. Ik kan vertellen over de wijze waarop media mij verleiden om steeds vaker te kijken, klikken of spelen.

4.1 Ik weet dat sommige apps, games of websites gemaakt zijn om gebruikers er langer gebruik van te laten maken en/of aankopen te laten doen.

4.2 Ik weet dat reclamemakers of adverteerders geld verdienen door mijn mediagebruik.

4.3 Ik weet dat er speelgoed, apps, websites en games zijn die data over me verzamelen.

4.4 Ik ben me bewust van de mogelijkheden en risico’s van dat ik op internet data achterlaat en kan hier een voorbeeld van noemen. Bijvoorbeeld: Als ik op internet zoek naar nieuwe schoenen, krijg ik hier de dagen erna advertenties over te zien.

5. Ik begrijp de risico’s van online communiceren en/of een digitale omgeving en kan omschrijven hoe ik hier veilig en bewust mee om kan gaan.

5.1 Ik oefen met me digitaal weerbaar opstellen.

5.2 Ik kan vertellen welke maatregelen ik tref om digitaal weerbaar te zijn en/ of online pesten te voorkomen. Bijvoorbeeld: Gebruik van een nickname, selectief zijn in het accepteren van vriendschapsverzoeken, geen herken- bare foto’s plaatsen, wachtwoorden altijd geheim houden.

5.3 Ik herken online uitingen die gericht zijn op mensen die tot een bepaalde groep behoren (afkomst, religie, gender, politieke voorkeur etc.) en kan benoemen wat het maatschappelijk effect hiervan is. Bijvoorbeeld: Het zet aan tot onverdraagzaamheid of zelfs haat. Of: negatieve berichten krijgen veel aandacht en/of worden veel gedeeld, daardoor lijkt het ‘de waarheid’.

5.4 Ik begrijp dat online platformen gebruik maken van algoritmes die ervoor zorgen dat we in een ‘bubbel’ van gelijkgestemden terecht komen en dat dit een eenzijdig beeld van de werkelijkheid creëert.

5.5 Ik begrijp de risico’s van het versturen van seksueel getinte berichten, foto’s of video’s (‘sexting’) en dat dit alleen mag als beide partijen hier toestemming voor hebben gegeven.

5.6 Ik weet dat het belangrijk is om bewust om te gaan met persoonlijke profielen of persoonlijke informatie (bijvoorbeeld telefoonnummers of adresgegevens) en dat ik deze nooit zomaar openbaar mag maken.

5.7 Ik kan vertellen wat online fraude is en kan hier twee voorbeelden van noemen. Bijvoorbeeld iets verkopen via internet zonder het product te leveren, identiteitsfraude en hacking.