Stel je voor dat je lichaam een motor is. Om te kunnen bewegen, moet er brandstof in. Die brandstof haal je uit wat je eet: koolhydraten en vetten zijn de belangrijkste energiebronnen. Maar wanneer gebruik je welke?
Dat hangt onder andere af van de intensiteit van je inspanning. En daar komt de MET-waarde om de hoek kijken. MET staat voor "Metabolic Equivalent of Task" – een manier om te meten hoeveel energie een bepaalde activiteit kost in vergelijking met rust.
Bijvoorbeeld:
Rust = 1 MET
Wandelen = 3 MET
Hardlopen = 9 MET
Hoe hoger de MET-waarde, hoe intensiever de activiteit – en hoe meer energie je verbrandt.
Bij lage MET-waardes (bijvoorbeeld wandelen of rustig fietsen) gebruikt je lichaam vooral vetten als brandstof. Maar als je intensiever sport (hogere MET-waarde), gebruikt je lichaam steeds meer koolhydraten en minder vetten. Dit komt doordat koolhydraten makkelijker beschikbaar zijn bij lage beschikbaarheid van zuurstof.
Voor sporters is het dus belangrijk om genoeg koolhydraten te eten. Want als de tank leeg is, krijg je het gevoel dat je "de man met de hamer" tegenkomt: plotselinge vermoeidheid, geen kracht meer, prestatieverlies.