Hoe lees je en tekst en beantwoord je een vraag?

Stappenplan: tekst lezen en vragen beantwoorden op het centraal examen Nederlands

Op het centraal examen Nederlands komen verschillende soorten teksten en vragen voor. Door jezelf een stappenplan aan te leren, zorg je ervoor dat je de vragen volledig beantwoordt en niks over het hoofd ziet. Hieronder staan stappenplannen voor de meest voorkomende teksten en vragen.

 

Teksten lezen

Tijdens het examen Nederlands moet je veel teksten verwerken. Als je actief leest, onthoud je beter wat je gelezen hebt en je vindt informatie sneller terug.

Zo doe je dat:

  1. Lees de titel en scan de tekst en de vragen. Je weet dan al een beetje waar de tekst over zal gaan en je activeert je voorkennis.
  2. Lees de tekst zorgvuldig en noteer na elke alinea kort in de kantlijn waar de alinea over gaat. Door samen te vatten, denk je na over de gelezen tekst. Je begrijpt het beter. Daarnaast vind je informatie sneller terug. Extra: je kunt de kernzinnen markeren.
  3. Lees je aantekeningen nog eens door. Hier door zie je nog een keer hoe de tekst is opgebouwd.

 

Open vragen

  1. Lees de vraag nauwkeurig en onderstreep de kernbegrippen.
  2. Ontdek de vraagstructuur en zet dit om naar een antwoordstructuur waarin je ook de vraag herhaalt.
  3. Je kunt nu het begin van je antwoord vaak al opschrijven.
  4. Zoek het tekstgedeelte op waar de vraag over gaat. Lees dit grondig door.
  5. Bedenk het antwoord op de vraag. Blijf zo dicht mogelijk bij de tekst.
  6. Noteer je antwoord. Gebruik hierbij de antwoordstructuur die je had bedacht.
  7. Controleer of je de vraag hebt beantwoord én of je antwoord ook daadwerkelijk in de tekst te vinden is.

 

Een voorbeeld

(1p) Leg uit wat er in de tekst met ‘sekse-stereotypering’ bedoeld wordt.

(2p) Noem twee redenen uit de alinea’s 9 en 10 waarom we vernieuwingen toch mooier gaan vinden.

NB Het herhalen van de vraag kost je geen woorden. Pas na de herhaling begin je dus met woorden tellen.

 

Meerkeuzevragen

  1. Dek de antwoordmogelijkheden af.
  2. Lees de vraag nauwkeurig en onderstreep de kernbegrippen.
  3. Zoek het tekstgedeelte op waar de vraag over gaat. Lees dit grondig door.
  4. Bedenk zelf het antwoord op de vraag.
  5. Bekijk de antwoordmogelijkheden en kies het antwoord dat het beste past bij wat jij hebt bedacht.
  6. Lees de vraag nog een keer en controleer of je de vraag hebt beantwoord én of het antwoord ook daadwerkelijk in de tekst te vinden is.
  7. Bedenk eventueel waarom de andere antwoorden fout zijn.

 

Citeervragen

Bij een citeervraag moet het antwoord letterlijk uit de tekst komen. Je zoekt het antwoord in de tekst en citeert de (deel)zin(nen) door de eerste en laatste drie woorden op je antwoordblad op te schrijven. Gebruik daarbij aanhalingstekens en noteer de regelnummers er tussen haakjes achter.

Voorbeeld: “Daar moeten ze … gebruik van maken.” (r. 138-141)

Controleer altijd of jouw citaat antwoord geeft op de vraag.