Traditionele energiebronnen zijn bruinkool, steenkool, olie en gas. Het zijn brandstoffen die lang geleden zijn ontstaan uit resten van planten en dieren. De brandstoffen worden fossiele brandstoffen genoemd. Het nadeel van het gebruik van deze energiebronnen is dat ze eindig zijn, ze raken op. Ook zijn ze niet goed voor het milieu, omdat ze grote hoeveelheden broeikasgassen uitstoten in de vorm van CO2. De uitstoot van deze broeikasgassen zorgen voor een klimaatverandering.
De traditionele grondstoffen kunnen makkelijk of juist moeilijker uit de grond gehaald worden. Aardolie en aardgas dat je kunt winnen zonder veel 'gedoe' noem je conventionele olie en gas. Bij de vorming van olie en gas is er sprake van een moedergesteente van waaruit de olie en gas wordt gevormd. Vaak ontsnapt de olie en gas en drijft het naar boven tot het een ondoordringbare laag bereikt. De olie en het gas worden bewaard in het reservoirgesteente. Voor aardolie en aardgas waarbij je dure technieken nodig hebt om het te kunnen winnen gebruik je de term niet-conventionele olie of gas. Hierbij zit de olie en het gas vaak opgesloten in het harde moedergesteente, de plek waar de vorming van olie en gas begint. Het is dan nodig om het moedergesteente te kraken (dit noem je fracking). Onder hoge druk en temperatuur wordt een mengsel van water, zand en chemicaliƫn in het gesteente gespoten, waardoor er scheurtjes ontstaan en olie en gas vrijkomen.
De groei van de wereldbevolking zorgt ervoor dat de vraag naar energiebronnen toeneemt. Met een toenemende vraag gaat de prijs van een product stijgen. Dit maakt het aantrekkelijk om op zoek te gaan naar technologische ontwikkelingen die de exploitatie van delfstoffen goedkoper of gemakkelijker kan maken. Delfstoffen die eerder niet-winbaar waren worden ineens wel mogelijk om te winnen. Op dit moment wordt er bijvoorbeeld veel dieper geboord naar aardolie dan aan het begin van de Industriƫle revolutie.