Ma 7-10 Vrij 1-10/ Ma 14-10 Vrij 18-10

Aufgabe

 

Vakantie

Je gaat nu de laatste vragen beantwoorden.

Je hebt alle vragen beantwoord in het Duits.

Nu ga je daar een mooi geheel van maken met foto's, tekeningen etc een soort poster/ resiverslag wat jij zelf wilt doen.

Dit wordt je basis voor je presentatie Spreken Vakantie.

 

Zet je werk in Seesaw en met een link in Egodact in je logboek Vakantie Schrijven

 

 

Logo

Je bekijkt 1 afleveringen van Logo.  Je scrollt even naar beneden naar de uitzendingen van deze week. Elke dag is er een uitzending. Je maakt per uitzending een samenvatting in het Nederlands. Waar gaat het over? Welke onderwerpen worden besproken? Wat wordt erover gezegd? Een opsomming van de onderwerpen is géén sammenvatting. Schrijf dus per onderwerp ook wat je gehoord en gezien hebt.

Zet je werk in Seesaw en met een link in Egodact in je logboek LOGO met datum van uitzending.

 

Weektekts

Elke week krijg je een Duitse tekst, nieuws die met deze week te maken heeft. Herkenbaar? Klopt het lijkt op Nieuwsbegrip maar dat is het niet.

Deze tekts ga je lezen. Je onderstreept de woorden die je niet begrijpt. Hiervan maak je een woordenlijst, dus een vertaling naar het Nederlands.

Daarnaast maak je een samenvatting waarover de tekst gaat.( Wie, wat, waar, waarom, wanneer, etc) Dus niet een letterlijke vertaling, maar een samenvatting in je eigen woorden. Sommige weken ontvang je naast de tekst ook vragen en opdrachten erbij. Dan maak je die in plaats van een samenvatting.

Waarom?

Je woordenschat wordt groter, je leer meer over Duitsland en je leestempo gaat omhoog.

Zet je werk in Seesaw en met een link in Egodact in je logboek Weektekst.

 

Grammatik

Je gaat met Grammatik aan de slag!

Sommige van jullie hebben vorige jaar al wat oefeningen al gemaakt, maar herhaling kan geen kwaad. Je maakt de oefeningen en je maakt er screenshots van het resultaat.

Je schrijft de theorie op in een schrift! Dat wordt je Grammatik schrift!

Zet je werk in Seesaw en met een link in Egodact in je logboek Werkwoorden

Werkwoorden


Je gaat leren hoe je vervoegingen maakt van:

Hier ga je alle werkwoordvervoegingen  oefenen.

 


Opdracht 1: haben/sein/werden in de tegenwoordige tijd

  1. De vervoeging van haben, sein en werden in de tegenwoordige tijd.

     

      sein (= zijn) haben (= hebben) werden (= worden, zullen)
    ich (= ik) bin habe werde
    du (= jij) bist hast wirst
    er (= hij) ist hat wird
    wir (= wij) sind haben werden
    ihr (= jullie) seid habt werdet
    sie (= zij) sind haben werden
    Sie (= u) sind haben werden

     

  2. Doe de oefening en kies de juiste vorm.

Opdracht 2: zwakke werkwoorden in de tegenwoordige tijd

  1. Herhaal de vervoeging van de zwakke werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
    Zwakke werkwoorden ott
  2. Doe de oefening en vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Opdracht 3: sterke werkwoorden in de tegenwoordige tijd

  1. Herhaal de vervoeging van de sterke werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
    Sterke werkwoorden ott
  2. Doe de oefening en kies de juiste vorm.
  3. Nog één extra oefening.

Opdracht 4: alle werkwoorden in de verleden tijd (ovt)

  1. De vervoeging van alle in deze video werkwoorden in de verleden tijd (ovt).
  2. Hieronder staat een uitleg van de verschillende werkwoorden in de verleden tijd.
    1. Sterke werkwoorden:
      Voordat je de uitgangen achter de stam kunt plaatsen moet je eerst weten hoe de stam in de verleden tijd eruit ziet.

      A Normaal
      voorbeeld: kommen [= komen]
      stam in de verleden tijd: kam-
      ich kam ik kwam
      du kamst jij kwam
      er/sie/es kam hij/zij/het kwam
      wir kamen wij kwamen
      ihr kamt jullie kwamen
      sie/Sie kamen zij kwamen / u kwam
      B als de stam op een s-klank eindigt:
      voorbeeld: lesen [= lezen]
      stam in de verleden tijd: las
      ich las ik las
      du lasest jij las
      er/sie/es las hij/zij/het las
      wir lasen wij lazen
      ihr last jullie lazen
      sie/Sie lasen zij lazen / u las

      C als de stam eindigt op -d, -t :
      voorbeeld: finden [= vinden]
      stam in de verleden tijd: fand-
      ich fand ik vond
      du fandst jij vond
      er/sie/es fand hij/zij/het vond
      wir fanden wij vonden
      ihr fandet jullie vonden
      sie/Sie fanden zij vonden / u vond

       

      Zwakke werkwoorden:
      A standaardgroep (= alle werkwoorden behalve groep B)
      voorbeeld: machen [=maken, doen]
      ich machte ik deed/maakte
      du machtest jij deed/maakte
      er /sie/es machte hij/zij/het deed/maakte
      wir machten wij deden/maakten
      ihr machtet jullie deden/maakten
      sie/Sie machten

      zij deden/maakten //

      u deed/maakte

      B de stam eindigt op -d, -t of het is een van de werkwoorden:
      atmen, regnen, öffnen, rechnen, begegnen, zeichnen, reden
      ich redete ik praatte
      du redetest jij praatte
      er /sie/es redete hij/zij/het praatte
      wir redeten wij praatten
      ihr redetet jullie praatten
      sie/Sie redeten zij praatten // u praatte

  3. Doe de oefening en kies de juiste vorm.