Hoofdstuk 4; Voeding en Gezondheid
Planteneter, vleeseter of alleseter
Dieren kun je opdelen op basis van hun voedsel. Er zijn planteneters, vleeseters en alleseters.
Planteneters is de grootste groep. Veel grote dieren leven van gras, zoals runderen, schapen en geiten. Gras is lastig te verteren, daarom hebben veel grote grazers 4 magen. We noemen deze dieren herkauwers, omdat ze hun voedsel twee maal kauwen.
De magen van een herkauwer:
1 = pens
2 = netmaag
3 = boekmaag
4 = lebmaag
Paarden en paardachtigen als ezels en zebra’s hebben slechts een maag.
Vleeseters als productiedier kom je minder vaak tegen dan planteneters. Een voorbeeld zijn nertsen, een marterachtige die gehouden wordt voor z’n pels. Vanaf 2024 zouden nertsen verboden zijn in Nederland. Toen bleek dat nertsen Corona konden krijgen en verspreidden, zijn ze vroegtijdig geruimd. Op dit moment zijn er geen nertsen meer in Nederland

Varkens zijn alleseters, ze eten zowel vlees als planten. Varkens zijn de opruimers van de voedselketen. Veel restproducten uit de menselijke voedselindustrie wordt verwerkt in varkensvoer.
Ruwvoer en krachtvoer
Ruwvoer is voeding wat weinig energie bevat, maar veel vezels. Het is goed voor de darmwerking van planteneters en alleseters. Ruwvoer is een onbewerkt of weinig bewerkt product. Gras is ruwvoer, net als hooi en kuilgras. Maar ook groente en fruit is ruwvoer. Een planteneter heeft ruwvoer nodig voor een gezonde werking van de spijsvertering.
|
Ruwvoer Gras
|
Ronde baal
|
|
Krachtvoer Brok
|
Muesli
|
Krachtvoer is voeding waar veel energie in zit, met weinig vezels. Het is geconcentreerd voer, meestal gemaakt in een fabriek. Brokken of muesli is krachtvoer. Krachtvoer wordt zo gemaakt, dat het diersoortspecifiek is.
Een rantsoen samenstellen
Een rantsoen is wat een dier eet per etmaal. Hoeveel een dier moet eten en wat een dier moet eten, hangt o.a. af van de diersoort en het productiestadium. Een planteneter krijgt altijd en groot deel ruwvoer. Vaak is dit deel het onderhoudsvoer, dat gedeelte van het voer wat nodig om gezond te leven. Krachtvoer is vaak productievoer, een extra gift energie om optimaal te produceren. Krachtvoer is vaak aangepast aan de productie.
Een rantsoen berekenen
Voerkosten zijn een groot deel van de kosten op een veehouderijbedrijf. Op maat voeren is dus belangrijk, er valt besparing te halen. Te weinig voer geven is niet goed voor dieren, dan zal de productie afnemen en mist de veehouder inkomsten.
Om goed te voeren, wordt het rantsoen berekend. Met gegeven vanuit bijvoorbeeld het CVB-boekje wordt een rantsoen samengesteld.
Conditie bepalen
De conditie van een dier is de vet/vleesbedekking van een dier. De conditie zegt iets over de voedingstoestand en de gezondheid van het dier.
Conditie bepalen we meestal met de Body Condition Score of BCS. Dat is een schaal van 1 (heel mager) tot 5 (obees). De voedingstoestand (vet of mager) heeft invloed op de voergift en op de gezondheid.

Gezond houden van de veestapel
De gezondheid van een dier controleer je aan de hand een en aantal punten. Zijn de ogen en neusgaten schoon van het dier, bijvoorbeeld. Of loopt het dier kreupel? Een veehouder controleert dagelijks al z’n dieren op gezondheid. Als het nodig is, grijpt hij in of schakelt de veearts of klauwbekapper in.
Om een dier gezond te houden en te zorgen dat het dier optimaal produceert, houdt een veehouder rekening met het dierwelzijn. Dierwelzijn bepaal je aan de hand van vijf vrijheden van het dier:
Een dier is gezond als de weerstand van een dier hoger is dan de infectiedruk om het dier heen. Infectiedruk is de hoeveelheid ziekteverwekkers om een dier heen. Bij een slecht stalklimaat (te warm of te koud), een slechte ventilatie, een vieze stal of veel dieren in de stal neemt de infectiedruk toe.
De weerstand van en dier verminderd bijvoorbeeld bij jonge of oude dieren, na een bevalling, bij verwonding, bij stress en bij slechte voeding.
Ziekte dieren produceren minder en kunnen zelfs sterven, een gezonde veestapel is het streven van een veehouder. Dieren die ziek zijn kunnen apart gezet worden, zodat ze eenvoudiger extra toezicht en verzorging kunnen krijgen. Mochten ze een besmettelijke ziekte hebben, dan worden ze geïsoleerd van de overige dieren.
Er zijn in de veehouderij een aantal ziektes die “aangifteplichtig” zijn, als je een dier hebt met die ziekte moet je dat melden bij de overheid. Er worden dan stappen genomen om verspreiding van die ziekte naar andere bedrijven te voorkomen.
Verzorging
Een veehouder is grote delen van de dag bezig met de verzorging van zijn of haar dieren. Dagelijkse verzorging is de verzorging die elke dag gedaan moet worden. Voer en water geven hoort bij dagelijkse verzorging, net als controleren of dieren gezond zijn.
Er is ook verzorging wat mee eens per periode gedaan moet worden, periodieke verzorging. Dit is bijvoorbeeld het klauwen bekappen bij koeien, schapen of geiten, het geven van een inenting, schapen wassen tegen Myasis, het scheren van koeien of schapen en regelmatig ontwormen.
Naast de verzorging van het dier zelf, moet ook de leefomgeving van het dier onderhouden worden. De meeste diersoorten hebben dagelijks vers drinkwater en verse voeding nodig. Het dierverblijf moet periodiek gereinigd worden, uitgemest bijvoorbeeld. Aan het begin van het weideseizoen worden de meeste rundveestallen schoon gespoten met de hogedrukreiniger en ontsmet, om de infectiedruk te verlagen.
Als vleesvarkens of kippen de stal verlaten wordt de hele afdeling ontsmet voor er nieuwe, jonge dieren met minder weestand in komen. Zo worden ziektes voorkomen.
Hoofdstuk 4; Voeding en Gezondheid
Planteneter, vleeseter of alleseter
Dieren kun je opdelen op basis van hun voedsel. Er zijn planteneters, vleeseters en alleseters.
Planteneters is de grootste groep. Veel grote dieren leven van gras, zoals runderen, schapen en geiten. Gras is lastig te verteren, daarom hebben veel grote grazers 4 magen. We noemen deze dieren herkauwers, omdat ze hun voedsel twee maal kauwen.
De magen van een herkauwer:
1 = pens
2 = netmaag
3 = boekmaag
4 = lebmaag
Paarden en paardachtigen als ezels en zebra’s hebben slechts een maag.
Vleeseters als productiedier kom je minder vaak tegen dan planteneters. Een voorbeeld zijn nertsen, een marterachtige die gehouden wordt voor z’n pels. Vanaf 2024 zouden nertsen verboden zijn in Nederland. Toen bleek dat nertsen Corona konden krijgen en verspreidden, zijn ze vroegtijdig geruimd. Op dit moment zijn er geen nertsen meer in Nederland

Varkens zijn alleseters, ze eten zowel vlees als planten. Varkens zijn de opruimers van de voedselketen. Veel restproducten uit de menselijke voedselindustrie wordt verwerkt in varkensvoer.
Ruwvoer en krachtvoer
Ruwvoer is voeding wat weinig energie bevat, maar veel vezels. Het is goed voor de darmwerking van planteneters en alleseters. Ruwvoer is een onbewerkt of weinig bewerkt product. Gras is ruwvoer, net als hooi en kuilgras. Maar ook groente en fruit is ruwvoer. Een planteneter heeft ruwvoer nodig voor een gezonde werking van de spijsvertering.
|
Ruwvoer Gras
|
Ronde baal
|
|
Krachtvoer Brok
|
Muesli
|
Krachtvoer is voeding waar veel energie in zit, met weinig vezels. Het is geconcentreerd voer, meestal gemaakt in een fabriek. Brokken of muesli is krachtvoer. Krachtvoer wordt zo gemaakt, dat het diersoortspecifiek is.
Een rantsoen samenstellen
Een rantsoen is wat een dier eet per etmaal. Hoeveel een dier moet eten en wat een dier moet eten, hangt o.a. af van de diersoort en het productiestadium. Een planteneter krijgt altijd en groot deel ruwvoer. Vaak is dit deel het onderhoudsvoer, dat gedeelte van het voer wat nodig om gezond te leven. Krachtvoer is vaak productievoer, een extra gift energie om optimaal te produceren. Krachtvoer is vaak aangepast aan de productie.
Een rantsoen berekenen
Voerkosten zijn een groot deel van de kosten op een veehouderijbedrijf. Op maat voeren is dus belangrijk, er valt besparing te halen. Te weinig voer geven is niet goed voor dieren, dan zal de productie afnemen en mist de veehouder inkomsten.
Om goed te voeren, wordt het rantsoen berekend. Met gegeven vanuit bijvoorbeeld het CVB-boekje wordt een rantsoen samengesteld.
Conditie bepalen
De conditie van een dier is de vet/vleesbedekking van een dier. De conditie zegt iets over de voedingstoestand en de gezondheid van het dier.
Conditie bepalen we meestal met de Body Condition Score of BCS. Dat is een schaal van 1 (heel mager) tot 5 (obees). De voedingstoestand (vet of mager) heeft invloed op de voergift en op de gezondheid.

Gezond houden van de veestapel
De gezondheid van een dier controleer je aan de hand een en aantal punten. Zijn de ogen en neusgaten schoon van het dier, bijvoorbeeld. Of loopt het dier kreupel? Een veehouder controleert dagelijks al z’n dieren op gezondheid. Als het nodig is, grijpt hij in of schakelt de veearts of klauwbekapper in.
Om een dier gezond te houden en te zorgen dat het dier optimaal produceert, houdt een veehouder rekening met het dierwelzijn. Dierwelzijn bepaal je aan de hand van vijf vrijheden van het dier:
Een dier is gezond als de weerstand van een dier hoger is dan de infectiedruk om het dier heen. Infectiedruk is de hoeveelheid ziekteverwekkers om een dier heen. Bij een slecht stalklimaat (te warm of te koud), een slechte ventilatie, een vieze stal of veel dieren in de stal neemt de infectiedruk toe.
De weerstand van en dier verminderd bijvoorbeeld bij jonge of oude dieren, na een bevalling, bij verwonding, bij stress en bij slechte voeding.
Ziekte dieren produceren minder en kunnen zelfs sterven, een gezonde veestapel is het streven van een veehouder. Dieren die ziek zijn kunnen apart gezet worden, zodat ze eenvoudiger extra toezicht en verzorging kunnen krijgen. Mochten ze een besmettelijke ziekte hebben, dan worden ze geïsoleerd van de overige dieren.
Er zijn in de veehouderij een aantal ziektes die “aangifteplichtig” zijn, als je een dier hebt met die ziekte moet je dat melden bij de overheid. Er worden dan stappen genomen om verspreiding van die ziekte naar andere bedrijven te voorkomen.
Verzorging
Een veehouder is grote delen van de dag bezig met de verzorging van zijn of haar dieren. Dagelijkse verzorging is de verzorging die elke dag gedaan moet worden. Voer en water geven hoort bij dagelijkse verzorging, net als controleren of dieren gezond zijn.
Er is ook verzorging wat mee eens per periode gedaan moet worden, periodieke verzorging. Dit is bijvoorbeeld het klauwen bekappen bij koeien, schapen of geiten, het geven van een inenting, schapen wassen tegen Myasis, het scheren van koeien of schapen en regelmatig ontwormen.
Naast de verzorging van het dier zelf, moet ook de leefomgeving van het dier onderhouden worden. De meeste diersoorten hebben dagelijks vers drinkwater en verse voeding nodig. Het dierverblijf moet periodiek gereinigd worden, uitgemest bijvoorbeeld. Aan het begin van het weideseizoen worden de meeste rundveestallen schoon gespoten met de hogedrukreiniger en ontsmet, om de infectiedruk te verlagen.
Als vleesvarkens of kippen de stal verlaten wordt de hele afdeling ontsmet voor er nieuwe, jonge dieren met minder weestand in komen. Zo worden ziektes voorkomen.