Door stroom en wind zal het schip van zijn koers afgeduwd worden.
De richting en stroom halen we uit de stroomatlas.
De K&V van het schip weten we, uiteraard.
Schip: 360º x 12'
Stroom: 090º x 2'

Als we de K&V van het schip weten zetten we die uit in de plotting sheet. (Rode pijl)
Als we de K&V van de stroom weten zetten we die tegengesteld uit aan het eind van de K&V van het schip. (Oranje pijl)
We trekken een lijn van het centrum naar het uiteinde van de oranje pijl en hebben daarmee de te sturen koers gevonden.
De hoek daartussen noemen we opstuurhoek.
Aannames:
Constante Stroom: We nemen aan dat de stroom over het hele traject exact hetzelfde blijft qua richting en snelheid (zoals opgezocht in de stroomatlas).
Constante Vaart: We gaan ervan uit dat de machinekamer en de weersomstandigheden zorgen voor een stabiele vaart door het water.
Geen Drift: In de basisberekening wordt wind (drift) vaak weggelaten, tenzij dit expliciet wordt toegevoegd aan de opstuurhoek.
Onnauwkeurigheid: De stroomatlas geeft een gemiddelde. In de praktijk kan een lokale werveling of een veranderende wind de werkelijke positie mijlenver van de berekende positie leggen.
Vals gevoel van veiligheid: Als de ECDIS in DR-modus staat, "lijkt" het schip op de lijn te varen, terwijl de werkelijke positie (de fix) ergens anders kan liggen. Dit kan leiden tot gronding.
Wanneer we om één of andere reden de hoek niet kunnen construeren kunnen we die ook berekenen: