Inleiding
Voor het opstellen van een plan moet je het terrein van te voren inventariseren. Je brengt het terrein daarbij in kaart wat betreft afmeting en hoogtes en aanwezige elementen (en de staat hiervan).
Daarbij moeten we niet vergeten ook naar de bodemgesteldheid en de waterhuishouding te kijken.
Bij (grotere) projecten is het vaak ook nodig om voor aanvang van de werkzaamheden een aantal onderzoeken te laten uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan een archeologisch onderzoek of een onderzoek naar oorlogsresten. Een ander vooronderzoek is het ecologisch onderzoek of het flora- en faunaonderzoek. Deze onderzoeken gebeuren in de eerste instantie als bureau-onderzoek. Veldonderzoek vindt vervolgens plaats wanneer je projectlocatie in een kansrijk of risicogebied ligt.
De plicht tot dergelijk onderzoeken ligt altijd bij de initiatiefnemer (de opdrachtgever). Hij/zij moet jou van de relevante gegevens kunnen voorzien.
Bodemgesteldheid
Als we een beeld willen krijgen van de bodemgesteldheid, kunnen we gebruiken maken van drie vormen van (veld)onderzoek; een profielkuil, een grondboring en een kluitonderzoek.
In de afgelopen twee jaar hebben jullie alledrie de onderzoeken al eens in je opleiding moeten uitvoeren. Om alles nog even op te frissen kijken jullie naar de drie filmpjes die in de onderstaande twee links te vinden zijn.
Waterhuishouding
Al de neerslag die op de bodem valt zakt voor een groot gedeelte de grond in. In de bodem zitten lagen en wanneer dit water op een ondoordringbare laag stuit ontstaat een grondwaterlaag. Hoe diep deze laag zit wisselt per regio en is ook afhankelijk van de hoeveelheid neerslag.
De waterhuishouding van de bodem hangt dan ook voor een groot gedeelte af van de stand van dit grondwater. Te diep en het terrein is droogtegevoelig, te ondiep en je hebt wateroverlast.
Presentatie - Water in de bodem
Grondwaterprofiel of hangwaterprofiel?
Voor het opstellen van een beplantingsplan is het belangrijk te weten met welk profiel je te maken hebt. Als je het heel precies wilt vaststellen moet je een uitgebreid onderzoek doen maar er is ook een eenvoudige manier om een redelijk goede indicatie te krijgen.
Stap 1. Bepaal de GVG en de GLG. Dit kan je op een bodemkaart opzoeken maar moet je ook altijd middels een veldonderzoek staven.
Stap 2. Bepaal de grondsoort. Ook hier geld weer, dit kan je op een bodemkaart opzoeken maar moet je ook altijd middels een veldonderzoek staven.
Stap 3. Bepaal de capillaire opstijging welke bij deze grondsoort past. Gebruik hierbij onderstaande tabel:

Stap 4. Tel de capillaire opstijging bij de GVG op en bepaal de diepte vanaf waar het grondwater bereikbaar is.
Stap 5. Tel de capillaire opstijging bij de GLG op en bepaal de diepte vanaf waar het grondwater bereikbaar is.
Als het profiel geen belemmeringen heeft, reiken de wortels van kruidachtige planten tot ongeveer 90 cm diepte en van houtige planten tot ongeveer 130 cm diepte.
Wanneer je beplanting in de zomer het grondwater kan bereiken heb je te maken met een grondwaterprofiel. Wanneer je beplanting alleen in het voorjaar het grondwater kan bereiken is het een contactprofiel. Wanneer je beplanting zowel in het voorjaar als in de zomer niet bij het grondwater kan, heb je te maken met een hangwaterprofiel.