Hier zit de crux van je kompascompensatie:
Weekijzer is ijzer met een heel laag koolstofgehalte. In de metaalkunde noemen we dit "magnetisch zacht".
Het is van zichzelf niet magnetisch: Als je een stuk weekijzer in een la legt, gebeurt er niets. Het trekt geen paperclips aan.
Het is een "magnetische meeloper": Zodra weekijzer in de buurt komt van een magneet (zoals de aarde), worden de moleculaire magneten in het ijzer razendsnel beïnvloed. Het wordt dan direct zelf een magneet.
Het vergeet snel: Haal je de magneet weg? Dan vallen die moleculaire magnetjes weer in hun oude wanorde en is het magnetisme direct weer verdwenen.
Het kompas staat op een schip dat zich in het aardmagnetisch veld bevindt.
De aarde "straalt" magnetisme door je schip.
De weekijzeren bollen en de Flindersstang vangen dat magnetisme op en worden daardoor tijdelijk zelf magneetjes.
Omdat ze heel dicht bij het kompas zitten, trekken of duwen ze de kompasroos precies de kant op die we willen om de fout van het schip (het staal van de romp) tegen te werken.
Het vernuftige: Als het schip naar de andere kant van de wereld vaart waar het aardmagnetisme anders is, verandert het magnetisme in het weekijzer automatisch mee. Dat is waarom we bollen gebruiken en niet alleen maar vaste magneten!
In de scheepsbouw hebben we ook te maken met hard ijzer (staal met meer koolstof).
Als dit eenmaal magnetisch is (bijvoorbeeld door het trillen en hameren tijdens de bouw), dan blijft het magnetisch.
Dit noemen we het permanent magnetisme van het schip.
Dit compenseer je niet met de bollen, maar met die kleine vaste magneetstaafjes in de laatjes van het nachthuis.