Bekijk de driehoek op het plaatje. Deze staat ook op je werkblad. Gebruik je geodriehoek om de zijden eventueel op te meten.
Hoe noemen we deze driehoek?
Teken de symmetrieassen in de driehoek.
Noteer in je schrift de eigenschappen die bij deze driehoek horen.
Zet tekentjes in zijden die even lang zijn.
6
Driehoek in een assenstelsel
Teken in een passend assenstelsel de punten: A(1, 1), B(5, 1) en C(3, 4).
Maak van de punten A, B en C driehoek ABC.
Meet de zijden van je driehoek, zijn zijden even lang, zet daar dan tekentjes in.
Hoe noemen we ΔABC?
Zet twee kruisjes in de basishoeken.
Zet met een pijltje bij de tophoek het woordje tophoek.
7
Driehoeken benoemen
Wat voor soort driehoek zie je op het plaatje.
Bereken de oppervlakte van deze driehoek. Gebruik daarvoor de formule: Opp Δ = zijde x bijb. hoogte : 2
Neem de formule over in je schrift en vul daaronder de juiste eenheden in.
8
Driehoek in een assenstelsel
Teken in een passend assenstelsel de punten P( -2, -2), R( 3, 0)
Punt P en punt Q zijn onderdeel van een gelijkzijdige driehoek. Teken deze gelijkzijdigedriehoek. Noem het ontbrekende punt R.
Is punt R een roosterpunt?
Zet tekentjes in zijden die even lang zijn.
Teken met roodkleurpotlood de drie symmetrieassen in je figuur