De leerlingen werken tijdens D&P aan veel beroepscompetenties. Deze zijn allemaal terug te vinden in het bovenstaande document. Ze ontwikkelen algemene kennis en vaardigheden tijdens de lessen. Het gaat er natuurlijk niet om dat ze een mooie zeepkist kunnen bouwen. Het is veel meer dan dat. Hoe werk je samen? Hoe werken bepaalde technieken? Hoe maak je een 3D ontwerp? En ga zo maar door.
Hieronder heb ik een paar punten uit de kern gepikt. Eronder staat een korte toelichting.
A. Algemene kennis en vaardigheden
a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product;
Tijdens de les ga ik veel in gesprek met de leerlingen. We starten altijd met de planning. Dit doen we klassikaal. Wat gaan we vandaag doen en wat moet er af? Daarna gaan we voorbereiden. De spullen moeten verzameld worden zodat ze daarna aan de slag kunnen. Een goede werkvoorbereiding is het halve werk. Daarna gaan de leerlingen aan de slag. Tijdens het proces stel ik de leerlingen veel vragen. Ook geef ik ze veel tips tijdens het proces of vraag ik ze om uit te leggen waarom ze bepaalde keuzes hebben gemaakt. Dit levert leuke gesprekken op. Soms kunnen ze het goed motiveren en soms niet. In dat laatste geval is er vaak wat werk aan de winkel. Daarnaast leggen ze de werkzaamheden ook schriftelijk vast. Dit doen ze in een presentatie. Het doel is dat ze gaan nadenken over het hele proces. Waarom doe ik het zo? Kan het anders? Ik probeer ze op deze manier kritischer te krijgen.
a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche;
Ik besteed veel aandacht aan het gedrag van de leerlingen tijdens de lessen. Hier start ik mijn les standaard mee. We starten de les met het benoemen van de spelregels. (Hoe gaan we met elkaar om, hoe gaan we met de materialen om, etc.) Ze moeten namelijk werken met diverse (dure en soms gevaarlijke) materialen. Ze leren hoe ze hier mee om moeten gaan. Wat kan wel en wat kan niet? Dit zullen ze later op het werkveld ook moeten kunnen.
b. Professionele kennis en vaardigheden
b1. probleemoplossingsvaardigheden hanteren en op grond daarvan conclusies trekken en keuzes maken;
De leerlingen lopen tegen veel probleempjes aan tijdens dit project. Ik probeer ze alles zelf te laten oplossen, vooral wanneer het mis gaat. Bijvoorbeeld: Een leerling probeert een schroef met de boormachine in het hout te krijgen maar dit lukt niet. De schroef gaat maar niet in het hout. Ik vraag de leerling naar de werking van de boormachine. (Linksom draaien is eruit, rechtsom draaien is erin). Vervolgens kijken ze naar hun eigen boormachine en zien dat hij linksom draait. Dus al pratend komen we tot op een oplossing. Wanneer ze zelf het probleem hebben opgelost is de leeropbrengst vaak hoger. Meestal gebeurt dit probleem geen tweede keer.
b.4. het begrip duurzaamheid (her)kennen, benoemen en toepassen. Op basis daarvan komen tot bewuste afwegingen en relaties leggen tussen milieu, mensen en werkprocessen in arbeid en beroep (people, planet en profit);
Ook hier heb ik een apart hoofdstuk voor gemaakt. (Zie lesmateriaal). De leerlingen leren eerst iets over people, planet en profit en gaan vervolgens zelf nadenken over dit proces. Het is belangrijk dat ze bewust worden van het milieu. Hoe kunnen we het project zo duurzaam mogelijk maken?
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling
c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’:
Aan het einde van het project gaan de leerlingen nadenken over de loopbaancompetenties. In de eindpresentatie moeten ze dit verder toelichten. Wat ging goed in dit project? Wat vond ik leuk en waarom? Wat voor banen kan ik linken aan dit project en zou dat wat voor mij zijn? Wie kan mij hier meer over vertellen?
Het doel is natuurlijk dat leerlingen gaan ontdekken wat bij ze passen. Op deze manier kunnen ze zichzelf beter oriënteren. Welke opleiding past bij hun? Wat voor loopbaan zien ze zitten?