Het Nederlands heeft drie lidwoorden: de, het en een.
De lidwoorden hebben een paar eigenschappen die je moet weten.
1. Ze horen bij een zelfstandig naamwoord (je leert verderop in de lessenserie over de zelfstandig en bijvoegelijk naamwoorden).
2. In zinnen staan ze altijd vóór het zelfstandig naamwoord (1e voorbeeldzin) of het bijvoegelijk naamwoord dat bij het zelfstandig naamwoord hoort.
3. Ze veranderen nooit. Er zijn dus bijvoorbeeld geen meervoudsvormen van: het is altijd de, het of een.
4. Bij zelfstandig naamwoorden in het meervoud kan alleen ‘de’ worden gebruikt en bij verkleinwoorden wordt alleen ‘het’ gebruikt: