In 1665 wordt een groot pakhuis is Amsterdam gebouwd: het Oost-Indische Zeemagazijn. Dit werd gebruikt voor de opslag van goederen uit Zuidoost-Azië. De handel tussen de Republiek en Zuidoost-Azië begon al rond 1595. In dit jaar wordt ook de eerste compagnie opgericht. Deze compagnie bouwden schepen en nam zeellieden in dienst om vervolgens handel te drijven met Azië.
Door deze internationale handel ontstond er in de 17e eeuw een wereldeconomie. Wereldeconomie is een economisch systeem met wereldwijde handelscontacten. Op de hele wereld kreeg vraag en aanbod invloed op elkaar.
Dit gebeurde ook bij de productie van het product suiker. In Amerika werd in de 16e eeuw voor het eerst een suikerplantages gesticht, dit was toen nog erg duur en alleen rijke Europeanen konden suiker kopen. Maar in de 17e eeuw daalde de prijs voortdurend, waardoor steeds meer mensen suiker konden kopen. Hierdoor kwam er een grotere vraag naar suiker en hierdoor stichten de Europeanen meer suikerplantages in Amerika. Maar de Europeanen gingen dus ook meer slaven halen uit Afrika halen, om op de plantages te laten werken.
De groeiende vraag naar suiker leidde in Europa tot werkgelegenheid. In Amsterdam werd ruwe suiker in suikerrafiinaderijen gezuiverd, zodat deze kon worden gegeten. Ook werd suiker in werkplaatsen verwerkt in likeur, gebak en andere nieuwe zoetigheden.
Door deze wereldeconomie werden andere producten ook populairder, zoals thee en koffie. Dit werd eerst alleen door de rijke Europeanen gedronken, maar later ook door de normale bevolking. Door de groeiende vraag naar thee en koffie, bouwen de Europeanen hier ook meer plantages voor. zo kwamen er theeplantages in India en koffieplantages in Zuid-Amerika en op Java.
Ook het product tabak werd populair onder de Europeanen, dit kwam eerst alleen voor in Amerika. Mensen rookten de gedroogde tabak bladeren, maar snoven en kauwde het ook.
Kleding veranderde ook, in plaats van wol gingen Europeanen katoen dragen. Katoen kwam uit India. Maar door de groter vraag, bouwde de Europeanen ook katoenplantages in Amerika.
Door deze wereldwijde handel, groeide de kennis over de wereld. Er werd steeds meer informatie verzameld over hoe de wereld eruitzag en met deze kennis werden wereldkaarten en wereldbollen gemaakt. De vraag naar een wereldkaart of wereldbol was groot. Land- en zeekaarten werden verkocht aan reizigers en kunstig uitgevoerde kaarten aan rijke burgers, edelen en vorsten.


