Beeldend onderwijs omvat zowel het maken als het beschouwen van beelden. Reflecteren speelt bij het maken en bij het beschouwen van beelden een centrale rol. Reflectievragen als: Wat vind ik ervan? Wat doet het me? Hoe komt dat? helpen studenten meer bewust naar beelden te kijken. Overwegen, keuzes maken, beoordelen, mening geven en beargumenteren zijn aspecten van reflecteren en maken onderdeel uit van elk vormgevingsproces.
De drie componenten die de basis vormen voor beeldend vormgeven zijn: betekenis-vorm-materie.
Betekenis: datgene wat het beeld uitdrukt. Het gaat zowel om de betekenis die de maker wil uitdrukken, als de betekenis die de beschouwer aan het beeld geeft. Dit hoeft niet altijd overeen te komen.
Vorm: de visuele aspecten die het beeld bepalen. Studenten leren hoe zij beeldaspecten als kleur, ruimte, textuur, compositie en vorm(soorten) kunnen hanteren om de zeggingskracht van hun beeld zo groot mogelijk te maken.
Materie: de materialen waarvan of waarmee het beeld is gemaakt. Studenten maken bij het beeldend vormgeven gebruik van de beeldende mogelijkheden van teken- en schildermaterialen, plastische materialen, materialen om ruimtelijk constructief te werken en virtuele materialen. Tegelijk leren ze welke gereedschappen en technieken geschikt zijn om deze materialen te bewerken.