H2.1 Voorkennis

Inleiding.

Over competenties – De kracht van mensenHet afgelopen schooljaar heb je al veel onderwerpen van wiskunde behandeld. Je komt dus niet helemaal nieuw binnen. Je bent geen onbeschreven blad, maar beschikt al over wiskundige kennis en vaardigheden.

 

Wiskunde is een vak dat een combinatie maakt tussen kennis (denk aan begrippen en formules uit je hoofd leren) en vaardigheden (iets kunnen voor doen, het tekenen van evenwijdige lijnen bijvoorbeeld). Dit betekent dus dat je niet alleen moet lezen en leren, maar vooral veel moet doen en oefenen.

 

In deze paragraaf frissen we je kennis en vaardigheden over vierhoeken en driehoeken op. Voordat we weer aan de slag gaan met deze vlakke figuren herhalen we eerst nog even loodrecht en evenwijdig. Dit zijn namelijk twee kenmerken die je moet weten voordat we met de vlakke figuren verder aan de slag kunnen.

 

Kennisbank.

Loodrecht.

Wanneer je twee lijnen tekent, dan kunnen deze lijnen elkaar raken. Er onstaat dan een snijpunt.

 

Snijpunt

De lijnen m en n snijden elkaar in punt A.
Punt A is het snijpunt van m en n.

 

Loodrecht

Wanneer twee lijnen elkaar raken dan kan dit onder een hoek van 90o gebeuren. We noemen dat loodrecht

Lijn q staat loodrecht op lijn t.

WisFaq!

 

 

 

 

 

 

 

Loodrecht tekenen met je geodriehoek.

 

 

H2.1 Opdracht 1

Op het werkblad zie je de volgende afbeelding.

 

H2.1 Opdracht 2

Op het werkblad zie je de volgende afbeelding.

  1. Teken door punt A de lijn k loodrecht op n.
  2. Teken door B de lijn q loodrecht op n.

 

H2.1 Opdracht 3

  1. Teken de punten: A(4 , 3), B(-2 , 1) en C(-1 , 5) in een passend assenstelsel. Geen idee meer hoe je een assenstelsel tekent? Klik op de link.
  2. Verbind punt A met punt B zodat lijnstuk AB ontstaat.
  3. Teken door punt C de lijn s loodrecht op lijnstuk AB.

 

Kennisbank

evenwijdig.

 

Twee getekende lijnen hoeven elkaar natuurlijk niet te raken. Je kunt ze ook beide in dezelfde richting tekenen.

 

De lijnen r en s snijden elkaar niet.
Lijn r ligt evenwijdig aan lijn s.
een ander woord voor evenwijdig is parallel.

 

Kijk je naar Lijn r en lijn s dan zijn deze lijnen overal even ver van elkaar af. Of je dit nu aan het begin, in het midden of aan het einde meet. De afstand tussen de lijnen is overal gelijk. De lijnen gaan niet naar elkaar toe, niet van elkaar af maar gaan dezelfde richting op.

 

Evenwijdige lijnen tekenen:

 

 

H2.1 Opdracht 4

Op het werkblad zie je de volgende afbeelding.

 

H2.1 Opdracht 5

Op het werkblad zie je de volgende afbeelding.

  1. Teken door R de lijn a evenwijdig aan lijn d.
  2. Teken door N de lijn b evenwijdig aan lijn d. Denk je ook aan de tekentjes?

 

H2.1 Opdracht 6

a. Teken D(1 , 4) E(6 , 2) en F(8 , 7) in een passend assenstelsel

b. Teken door punt E de lijn  r evenwijdig aan lijnstuk DF. (vergeet de tekentjes er niet bij te zetten)

c. Teken door punt F de lijn v evenwijdig aan de y-as.

 

H2.1 Opdracht 7

  1. Teken een assenstelsel met een x-as van -2 tot 5 en een y-as van -3 tot 3.
  2. Teken de volgende punten P(-2 , 3), Q(3 , -1) R(5 , 3), S(-1 , -2) en T(2 , 2).
  3. Teken met groenpotlood lijnstuk PQ.
  4. Teken met blauwpotlood een lijn a evenwijdig aan de x-as door punt T.
  5. Teken door R de lijn b loodrecht op lijnstuk PQ

 

Kennisbank

Vlakke figuren

In de wiskunde heb je te maken met vlakke figuren. Vlakke figuren zijn figuren die bestaan in een plat vlak. In 2D (twee dimensionaal).

 

Hieronder zie je een aantal vlakke figuren. Je ziet bijvoorbeeld een driehoek en een cirkel. De overige vlakke figuren zijn bijzondere vierhoeken: een vierkant, een rechthoek, een ruit, een parallellogram, een trapezium en een vlieger.

De tekentjes in de figuren hebben natuurlijk een doel; dezelfde pijltjes in de zijden betekent dat die evenwijdig zijn; evenveel streepjes of v-tjes betekent dat de zijden even lang zijn.

 

Onder een diagonaal versta je een lijnstuk dat twee hoekpunten verbindt die niet op dezelfde zijde liggen. Bijvoorbeeld lijnstuk BE.

 

 

 

 

     

     

    H2.1 Opdracht 8

    Bekijk de afbeelding op je werkblad.

    1. Zet in figuur 1 met rood kleurpotlood in één rechte hoek een loodrecht tekentje
    2. Zet in figuur 1 met groen kleurpotlood even lang tekentjes in zijden die even lang zijn.
    3. Zet in figuur 1 met blauw kleurpotlood evenwijdig tekentjes in zijden die evenwijdig zijn.
    4. Bekijk figuur 2. Teken met Rood kleurpotlood de diagonalen in figuur 2.
    5. Staan de diagonalen in figuur 2 loodrecht op elkaar? Zet er dan een loodrecht tekentje in.
    6. Delen de diagonalen in figuur 2 elkaar doormidden? Zet dan even lang tekentjes in de stukken die even lang zijn

     

    H2.1 Opdracht 9

    Bekijk de afbeelding op je werkblad.

    1. Teken met groen kleurpotlood even lang tekentjes in zijden die even lang zijn.
    2. Teken met blauw kleurpotlood evenwijdig tekentjes in zijden die evenwijdig zijn.
    3. Zijn de hoeken van het parallellogram loodrecht?
    4. Teken in de ruit de diagonalen met potlood.
    5. Staan de diagonalen in de ruit loodrecht op elkaar zet er dan met rood kleurpotlood een tekentje in.
    6. Teken met groen kleurpotlood even lang tekentjes in zijden van de ruit die even lang zijn.
    7. Teken met blauw kleurpotlood evenwijdig tekentjes in zijden van de ruit die evenwijdig zijn.