Ziekte van Alzheimer

Dr. Aloïs Alzheimer beschreef in 1907 de eerste patiënte met deze ziekte, opvallend genoeg een relatief jonge vrouw van 51 jaar oud, die geheugenproblemen en oriëntatieproblemen had, maar ook depressieve klachten, een jaloersheidswaan en hallucinaties.

Auguste D, de patiënte waarop dr. Alzheimer zijn diagnose stelde.

 

In haar hersenen vond hij na haar dood nog maar weinig normale neuronen, maar veel neuronen met vreemde neerslagen (dit bleek het eiwit tau) en veel kluwens van eiwitten tussen de cellen (dit bleek het eiwit amyloid beta).

Alhoewel het voor de diagnose niet altijd noodzakelijk is, kunnen kenmerkende bevindingen bij aanvullend onderzoek worden gevonden.

De criteria voor de ziekte van Alzheimer zijn als volgt beschreven in de richtlijn:

 

Waarschijnlijke ziekte van Alzheimer bij de diagnose dementie en daarbij aanwezigheid van:

  1. gedocumenteerde cognitieve achteruitgang (neuropsychologisch onderzoek of cognitieve screeningstest);
  2. gedocumenteerd of waarschijnlijk traag progressief beloop over maanden tot jaren;
  3. als eerste uitval op een van de volgende:
    1. geheugenfunctie of taal (woordvindstoornis);
    2. taalfunctie;
    3. visuopatiële functie;
    4. uitvoerende functies (oordeelsvermogen, planning, probleemoplossend vermogen).
  4. afwezigheid van evidente cerebrovasculaire schade of tekenen van een andere neurodegeneratieve aandoening;
  5. de diagnose waarschijnlijk ziekte van Alzheimer wordt zekerder bij:
    1. gedocumenteerde achteruitgang;
    2. aangetoonde bekende genetische mutatie die ziekte van Alzheimer veroorzaakt (PSEN1 & 2, APP).

Het probleem zit bij punt 4: je moet geen aanwijzingen hebben voor een andere oorzaak van de dementie. Dit kan verschillend zijn voor behandelaars met veel en minder veel ervaring en heeft dus een subjectief karakter.