Dr. Aloïs Alzheimer beschreef in 1907 de eerste patiënte met deze ziekte, opvallend genoeg een relatief jonge vrouw van 51 jaar oud, die geheugenproblemen en oriëntatieproblemen had, maar ook depressieve klachten, een jaloersheidswaan en hallucinaties.
In haar hersenen vond hij na haar dood nog maar weinig normale neuronen, maar veel neuronen met vreemde neerslagen (dit bleek het eiwit tau) en veel kluwens van eiwitten tussen de cellen (dit bleek het eiwit amyloid beta).
Alhoewel het voor de diagnose niet altijd noodzakelijk is, kunnen kenmerkende bevindingen bij aanvullend onderzoek worden gevonden.
De criteria voor de ziekte van Alzheimer zijn als volgt beschreven in de richtlijn:
Waarschijnlijke ziekte van Alzheimer bij de diagnose dementie en daarbij aanwezigheid van:
Het probleem zit bij punt 4: je moet geen aanwijzingen hebben voor een andere oorzaak van de dementie. Dit kan verschillend zijn voor behandelaars met veel en minder veel ervaring en heeft dus een subjectief karakter.