Es ist 2013, und du hast gerade in Berlin die Aufführung von “Die heilige Johanna der Schlachthöfe” gesehen. Du schreibst einem Freund einen E-mail, in dem du von dem Theaterstück berichtest. Du gibst deine begründete Meinung.
Beurteilung hauptsächlich auf Schreiben gerichtet, wenig auf Inhalt.
Es wird einen informellen E-mail geschrieben, von ungefähr 300 Wörter.
Es wird geschrieben an de Laptop, auf Exam.net
Rechtschreibprüfung wird benutzt
Ein Wörterbuch Niederländisch - Deutsch darf man benutzen
|
1-2 |
(A2+) 3 |
(B1) 4 |
(B1+) 5 |
|
|
Inhoud (ook inhoudelijke verwerking opdracht) |
De lengte van je stuk is onvoldoende. Je komt niet verder dan de echte basiszinnen. |
Je schrijft in duidelijke zinnen, over alledaagse onderwerpen of je eigen omgeving. De lengte van je tekst past bij de opdracht. De tekst zelf past niet overal bij de opdracht. |
Je zinnen vormen samen wel een tekst, maar het is nog niet overal een samenhangend geheel. Inhoudelijk is de opdracht gevolgd en verwerkt. |
Je kan een samenhangende tekst schrijven. Je kan ervaringen, gevoelens en reacties of een gebeurtenis beschrijven. Je geeft duidelijk onderbouwd je mening over het theaterstuk. |
|
Begrijpelijkheid |
De foutjes die je maakt in zinsbouw, spelling of keuze van vertalingen zitten het begrip van de tekst in de weg. |
Je tekst is goed te lezen. De foutjes die je maakt storen het begrip hier en daar, maar over het algemeen niet. |
De foutjes die je maakt storen het begrip minimaal. |
Er komen geen foutjes voor die het begrip zouden kunnen storen. |
|
Woordgebruik |
Je maakt fouten in veelgebruikte uitdrukkingen. |
Je gebruikt uitdrukkingen die veel voorkomen en die je uit het hoofd hebt geleerd. Je weet meestal de juiste woorden te vinden. |
Je woordenschat is toereikend om eventueel met behulp van omschrijvingen over de onderwerpen te schrijven die bij dit niveau horen. |
Je woordenschat is duidelijk toereikend voor de opdracht. |
|
Zinsbouw |
Je gebruikt in je tekst geen voegwoorden en je zinnen komen niet “natuurlijk” over. |
Je gebruikt voegwoorden, zoals “en”, “dan”, “maar” en “omdat”. |
Je verbindt woorden en stukken van een zin tot een samenhangend geheel. |
Je zinnen lopen soepel en bevatten weinig on-Duitse structuren. |
|
Correctheid |
Je past geen of te beperkt basisgrammatica toe, zoals het vervoegen van werkwoorden of het verbuigen van persoonlijke voornaamwoorden. |
Je past eenvoudige grammaticaregels toe, maar maakt daarin nog veel fouten. |
Je maakt gebruik van veel voorkomende constructies en je past de basisgrammaticaregels goed toe. Je spelling, het gebruik van leestekens zijn voldoende correct om te volgen. |
De meeste grammaticale constructies gaan goed. In werkwoordvervoegingen maak je amper foutjes. Spelling, gebruik van leestekens en lay-out zijn hoofdzakelijk correct. |
Algemeen
Kan heldere samenhangende teksten schrijven over uiteenlopende vertrouwde onderwerpen binnen zijn of haar interessegebied door een reeks kortere afzonderlijke elementen lineair met elkaar te verbinden.
Essay
Kan korte, eenvoudige opstellen schrijven over belangwekkende onderwerpen. Kan een tekst schrijven over een actueel onderwerp binnen zijn of haar persoonlijke interessesfeer, en daarbij eenvoudige taal gebruiken om de vooren nadelen op te sommen en zijn of haar mening te onderbouwen.
Kan met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied samenvatten, in een verslag opnemen en becommentariëren.
Kan zeer beknopte verslagen schrijven volgens een standaardindeling, waarin alledaagse feitelijke informatie wordt doorgegeven en redenen voor handelingen worden vastgelegd. Kan een onderwerp presenteren in een kort verslag of een poster, met gebruik van foto's en korte tekstblokken.
Kan persoonlijke brieven schrijven waarin nieuws wordt overgebracht en gedachten over abstracte of culturele onderwerpen worden uitgedrukt
bereik van de woordenschat
Beschikt over een voldoende woordenschat om zich, met enige omhaal van woorden, te uiten over de meeste onderwerpen die betrekking hebben op het dagelijks leven, zoals familie, vrijetijdsbesteding en interesses, werk, reizen en actualiteiten.
beheersing van de woordenschat
Heeft een goede beheersing van elementaire woordenschat, al doen zich nog wel grote fouten voor bij meer complexe gedachten of niet-vertrouwde onderwerpen en situaties.
grammaticale correctheid
Maakt met een redelijke mate van nauwkeurigheid gebruik van een repertoire van veelgebruikte ‘routines’ en patronen die bekend zijn van meer voorspelbare situaties. Communiceert redelijk nauwkeurig in vertrouwde omstandigheden; vertoont over het algemeen een goede grammaticale beheersing maar met merkbare invloed vanuit de moedertaal. Fouten komen voor, maar het is altijd duidelijk wat hij of zij probeert uit te drukken (B1+).
spelling, interpunctie en lay-out
Kan heldere doorlopende tekst produceren die over het algemeen helemaal te begrijpen is. Spelling, leestekengebruik en lay-out zijn correct genoeg om het grootste deel van de tijd te kunnen worden gevolgd.
samenhang
Kan een reeks kortere, op zichzelf staande eenvoudige elementen verbinden tot een samenhangende lineaire opeenvolging van punten.
afstemming taalgebruik op doel en publiek
Is zich bewust van de belangrijkste beleefdheidsconventies en handelt dienovereenkomstig. Is zich bewust en let op tekenen van de belangrijkste verschillen in gewoonten, gebruiken, houdingen, waarden en overtuigingen tussen de betrokken gemeenschap en die van hem of haar zelf.
productiestrategieën
Kan digitale technologie zoals internet en zoekmachines gebruiken om taalgebruik te controleren, indien toegestaan.