Omgaan met Grammatica-overzicht en Werkwoordenkaart

Hier vind je de werkwoordenkaart en het grammatica-overzicht.

 

Instructies:
Beantwoord de volgende vragen door gebruik te maken van het grammatica-overzicht. Noteer bij elk antwoord ook waar je de informatie hebt gevonden (pagina of sectie). Werk zo snel en nauwkeurig mogelijk. Succes!


Naamvallen en Voorzetsels

  1. Welke naamvallen horen bij het voorzetsel "bei"?

  2. Noem drie voorzetsels die de vierde naamval gebruiken.

  3. Wanneer gebruik je de tweede naamval in het Duits? Geef een voorbeeldzin.

  4. Wat is de functie van de derde naamval? Geef een voorbeeldzin.

  5. Welk voorzetsel kan zowel de derde als de vierde naamval gebruiken? Leg uit wanneer welke naamval wordt toegepast.


Werkwoordvervoegingen

  1. Vervoeg het werkwoord "sehen" in de tegenwoordige tijd.

  2. Wat is de verleden tijd van "sprechen" in de eerste persoon enkelvoud?

  3. Hoe vervoeg je een regelmatig werkwoord in de verleden tijd? Geef een voorbeeld met "lernen".

  4. Vervoeg het werkwoord "fahren" in de voltooide tijd (Perfekt).

  5. Hoe vervoeg je modale werkwoorden in de tegenwoordige tijd? Gebruik "mögen" als voorbeeld.

  6. Vervoeg het werkwoord "haben" in de tegenwoordige, verleden en voltooide tijd.

  7. Geef de gebiedende wijs (Imperativ) van "gehen" voor du, ihr en Sie.

  8. Maak een zin waarin "wollen" correct vervoegd is.

  9. Wat is de derde persoon enkelvoud van het werkwoord "geben" in de tegenwoordige tijd?

  10. Hoe vervoeg je het werkwoord "sein" in de verleden tijd? Geef alle vormen.

  11. Vervoeg het werkwoord "arbeiten" in de tegenwoordige tijd.

  12. Hoe vervoeg je een onregelmatig werkwoord als "essen"? Schrijf de vervoegingen in de tegenwoordige tijd op.

  13. Vervoeg het werkwoord "denken" in de verleden tijd (Präteritum).

  14. Maak een correcte Duitse zin met een modaal werkwoord en een infinitief.

  15. Vervoeg het werkwoord "schlafen" in de tegenwoordige tijd.

  16. Hoe maak je de toekomende tijd (Futur I) met het werkwoord "werden"? Geef een voorbeeldzin.


Bijzinnen en Voegwoorden

  1. Wat gebeurt er met de werkwoordvolgorde in een bijzin? Geef een voorbeeld met "weil".

  2. Wat is het verschil in werkwoordvolgorde tussen zinnen met "denn" en "weil"?

  3. Noem drie voegwoorden die een bijzin inleiden.

  4. Hoe verbind je twee hoofdzinnen correct met een voegwoord? Geef een voorbeeld met "und".

  5. Schrijf een zin met "obwohl" en leg uit wat er met de werkwoordpositie gebeurt.


Bijvoeglijke Naamwoorden

  1. Hoe vervoeg je een bijvoeglijk naamwoord in de eerste naamval mannelijk? Geef een voorbeeld.

  2. Wat is de juiste vervoeging van een bijvoeglijk naamwoord in de derde naamval vrouwelijk? Geef een voorbeeld.

  3. Hoe herken je de trappen van vergelijking in het Duits? Geef een voorbeeld met "schnell".

  4. Wat gebeurt er met bijvoeglijke naamwoorden na een bepaald lidwoord? Geef een voorbeeld met "der kleine Hund".

  5. Hoe vervoeg je een bijvoeglijk naamwoord zonder lidwoord? Geef een voorbeeld.