|

|
Opmerking:

In deze opgave heb je twee gelijkvormige driehoeken, in het plaatje hiernaast oker en blauw. Ze zijn gelijkvormig omdat ze twee hoeken gelijk hebben:
beide driehoeken hebben een rechte hoek en de hoeken met het zwarte bolletje (overstaande hoeken) zijn gelijk. De grote driehoek is een uitvergroting van de kleine.
De vergrotingsfactor is , dus de diepte van de put is .
|