|

Statistische variabelen kun je onderverdelen in kwalitatieve en kwantitatieve variabelen.
-
Statistische variabelen als het geslacht, de kleur ogen, de godsdienst, de bloedgroep, de naam, enzovoorts, geven een kenmerk van de populatie weer maar hoeven niet noodzakelijkerwijs in een getal te zijn uitgedrukt. We noemen dit kwalitatieve variabelen.
-
Statistische variabelen als de lengte, de hoogte van het inkomen, de omvang van het gezin, enzovoorts, worden wel in een getal uitgedrukt; dit zijn kwantitatieve variabelen.
Het is vaak handig om je gegevens te ordenen in frequentietabellen. Daarin hebben niet alleen de data een logische volgorde, maar is ook meteen te zien hoe vaak een bepaalde waarde van de statistische variabele voorkomt, zijn absolute frequentie.
Bij de gegevens over de gezinsomvang van leerlingen uit twee havo 4 klassen heb je twee datasets bij eenzelfde kwantitatieve variabele. Om beide datasets goed te kunnen vergelijken, is het handiger om met relatieve frequenties te werken, dat wil zeggen absolute frequenties gedeeld door het totaal, eventueel uitgedrukt in procenten.
|