- Je moet kunnen letterrekenen
- Je moet de rekenvolgorde uit je hoofd kennen
- Je moet basisvaardig zijn in hoofdrekenen
- Je moet basisvaardig zijn in het afronden
- Je bent vaardig in het toepassen van de machtenregels
- Je bent vaardig in het toepassen van de wortelregels
Aan het einde van dit hoofdstuk kan je:
- zonder rekenmachine eenvoudige machten omschrijven in wortels
- zonder rekenmachine eenvoudige wortels omschrijven in machten