Antwoorden Toepassingen

Toepassing: Ademhaling

  1. Inademing: ribben omhoog en middenrif trekt samen (omlaag)
  2. Uitademing: ribben omlaag en middenrif ontspant (omhoog)
  3. mondholte of neusholte – keelholte – luchtpijp met strottenhoofd – bronchiën – longen met longblaasjes - longhaarvat
  4. door gaswisseling in de longblaasjes
  5. bloed dat naar de longblaasjes toestroomt bevat meeste koolstofdioxide (en minste zuurstof)
  6. bloed dat van de longblaasjes wegstroomt (en minste koolstofdioxide)
  7. rondpompen van bloed door het lichaam
  8. longen
  9. middenrif
  10. buikademhaling, want het middenrif wordt aangespannen en ontspant weer.
  11. Het oppervlak is groot zodat voldoende zuurstof door gaswisseling in het bloed terecht komt.
  12. Ingeademde lucht bevat meer zuurstof en minder koolstofdioxide dan uitgeademde lucht.
  13. Nee, de hoeveelheid stikstof is in ingeademde lucht hetzelfde als bij uitgeademde lucht.