De neerslag - Water dat uit de lucht op aarde valt als regen, sneeuw of hagel.
De vloeibare vorm - De vorm van een stof als je het kunt schenken of als het kan stromen. Het tegenovergestelde hiervan is de vaste vorm.
De vaste vorm - De vorm van een stof als hij niet van vorm verandert en niet beweeglijk is. Het tegenovergestelde hiervan is de vloeibare vorm.
De cyclus - Een proces wat altijd achter elkaar doorgaat en zich blijft herhalen. Als je bij het einde van de cyclus bent, begint het proces weer van voor af aan.
De waterdamp - Wanneer water gasvormig is. Waterdamp ontstaat wanneer je vloeibaar water verwarmt. Wolken bestaan uit een grote verzameling waterdamp.
De korte waterkringloop - Het zeewater wordt opgewarmd en verandert in waterdamp. De waterdamp stijgt op en vormt wolken. De wolken regenen boven de zee nog uit en het water komt weer terug in de zee terecht.
De lange waterkringloop - Het zeewater wordt opgewarmd en verandert in waterdamp. De waterdamp stijgt op en vormt wolken. De wolken reizen naar het land en regenen daar uit. Een deel van dit water wordt gebruikt door de natuur. Het water wat niet wordt gebruikt, komt terecht in het grondwater en daarna in de zee. Een ander deel komt in een rivier of het riool terecht en komt via deze weg terug in de zee. Een ander deel verandert in de bergen in eeuwige sneeuw of gletsjers.
Het grondwater - Water dat in de grond zit. Dit water wordt bijvoorbeeld gebruikt als drinkwater.
De eeuwige sneeuw - De toppen van de bergen waar het zo koud is, dat er altijd sneeuw ligt. De sneeuw die er ligt, smelt nooit omdat het er altijd vriest. De sneeuw blijft ook aangroeien omdat alle neerslag die er valt, ook in sneeuw verandert.
De gletsjer - Een grote ijsmassa op een berg die langzaam naar beneden schuift.