Par. 3.4 het platteland
Deze paragraaf gaat over de ontwikkeling van het platteland in Zuid – Amrika. Zowel de landbouwontwikkeling als de steeds grotere invloed van de stedelijke invloed op het leven op het platteland.
Om een eerste, globale indruk van deze paragraaf te krijgen,
bekijk je:
- de indeling aan de hand van de paragraaftitel en de tussenkopjes,
- de inleiding van het paragraaf
- de figuren met de bijschriften
Begrippen die horen bij deze paragraaf:
Handelsgewassen/cash crops
Latifundia/minifunddia
Landgrabbing/landroof
Zelfvoorzienende boeren
Agri-business
Groene revolutie
Landhervormingen
Grootgrondbezit
Commerciële landbouw
Flex crops
Plantagegebieden
Remittances
Verstedelijkt platteland
Hoofdvraag:
Je kunt uitleggen dat globalisering op het platteland zichtbaar is in plantagegebieden, maar ook in de geldzendingen (remittances) van migranten.
Vragen die horen bij deze paragraaf:
Je kunt door gebruik te maken van verschillende dimensies de ontwikkelingen op het platteland analyseren en verklarend beschrijven.
Achtergrondinformatie:
De producenten van voedsel
De indeling van de agrarische sector is complex. Er zijn vele soorten benamingen voor landbouw. Globaal kun je wereldwijd een tweedeling maken in traditionele zelfvoorzienende landbouw en moderne commerciële landbouw, zie onderstaand schema
Indeling van de producenten in de landbouw.
In de traditionele landbouw of bevolkingslandbouw werken kleine boeren ('peasants') die vooral op zelfvoorziening zijn gericht. De boeren hebben kleine bedrijfjes (een tot twee hectare), waar zij met eenvoudige landbouwtechnieken op de akkers meerdere voedselgewassen (polycultuur) verbouwen. De diversiteit aan gewassen in deze voedsellandbouw is voor het grootste deel voor de eigen voedselvoorziening. Alles wat in een jaar meer wordt geproduceerd, gaat in verkoop op de lokale markt. Ondanks de kleine schaal waarop deze boeren werken, is de productiviteit per hectare relatief hoog. Dit komt omdat op de kleine bedrijfjes elke vierkante meter optimaal benut wordt. In de traditionele landbouw is meestal sprake van familiebedrijven met vader, moeder en kinderen. Wanneer ook grootouders en getrouwde kinderen met hun gezin van het bedrijf moeten leven, gaat het om een grootfamilie.
In de moderne landbouw of commerciëlelandbouw werken boeren die met moderne
landbouwtechnieken voor de markt produceren. Er is sprake van ondernemingslandbouw. Een boerenbedrijf is een echte onderneming die gericht is op het maken van winst. In Nederland kun je bijvoorbeeld denken aan tuinbouwers die sla en komkommer telen of aan akkerbouwers die op honderd hectare graan verbouwen. Hun doel is niet de eigen voedselvoorziening, maar het telen van handelsgewassen. In de commerciële landbouw kan de markt niet alleen het eigen land betreffen, maar ook het buitenland.
Nederland heeft bijvoorbeeld een sterke exportgeoriënteerde landbouw. Ons aandeel in de wereldexport van snijbloemen (6o%), bloembollen (8o%) en pootaardappelen (6o%) is erg hoog.
In de tropen of subtropen vind je veel plantages die voor de wereldmarkt produceren. Het gaat om grootschalige ondernemingen. Hier wordt met moderne middelen en in monocultuur (één gewas) geproduceerd. Voorbeelden zijn plantages voor de teelt van thee, koffie, rubber, katoen, bananen of suikerriet.
In de plantagelandbouw worden enorme hoeveelheden handelsgewassen geproduceerd. Door het omvangrijke landbezit wordt vaak niet alle grond optimaal benut, wat ten koste gaat van de productiviteit.
Een probleem bij de monoculturen is de snelle verspreiding van plantenziektes of insectenplagen. De kans hierop is groot, omdat op grote oppervlakten maar één gewas wordt geteeld. Commerciële boerenbedrijven investeren daarom tijdens de teelt veel geld in allerlei bestrijdingsmiddelen (pesticides)