De gereedschappen

Tools

In de workshop e-didactiek kom je in aanraking met meerdere gereedschappen die je in je les kunt inzetten. Je hebt ermee geoefend, een les mee voorbereid en gekeken wat de voor- en nadelen van de inzet van zo'n tool zijn.

Daarbij dien je uiteraard telkens in de gaten te houden waarvoor je het doet: de leerling! Wat schiet de leerling ermee op? Kan er meer op maat aandacht gegeven worden? Wordt de leerling gemotiveerder? Worden de resultaten hoger? Afhankelijk van je doel kies je voor één of meerdere gereedschappen.

Zorg daarbij voor variatie. Als jij én je collega's veelvuldig Kahoot gebruiken om kennis wedstrijdjes te doen, dan vinden de leerlingen dat in het begin nog wel leuk, maar zodra je geluiden hoort als 'Nee hè, niet weer ...' dan weet je dat je meer zult moeten variëren. Combineer ook ICT inzet met niet-ICT gebonden werkvormen. Zo kun je bijvoorbeeld de meningen in een klas peilen met Kahoot, Socrative, GoVote of wat dan ook, waarna je met de techniek 'Over de streep' gaat praten over die meningen.

Kennis van e-didactiek

De eerder genoemde taxonomieën van Bloom zijn ook van toepassing op je kennis van digitale didactiek. Het kennen van een paar tooltjes is niet waar we naar streven. Het kunnen vergelijken van meerdere tools, hun toepasbaarheid voor meerdere lessituaties kunnen bepalen en zelf in staat zijn nieuwe tooltjes te vinden die ook ingezet zouden kunnen worden, dat is ons doel. Een overzicht:

  1. Remembering (herinneren)
    Docent weet dat bijv. Kahoot een tool is waarmee je kennis kunt testen
  2. Understanding (begrijpen)
    Docent kan uitleggen hoe een tool werkt
  3. Applying (toepassen)
    Docent kan de tool didactisch verantwoord inzetten
  4. Analyzing (analyseren)
    Docent kan verschillende tools uit dezelfde categorie vergelijken op hun eigenschappen
  5. Evaluating (evalueren, reflectie)
    Docent kan aangeven waarom de ene tool de voorkeur heeft boven de andere in een bepaalde lessituatie of leeractiviteit
  6. Creating (creëren)
    Docent is in staat tools te vinden die toepasbaar zijn in bepaalde lessituaties en deze didactisch verantwoord in te zetten

De e-didactische cirkel

                    De e-didactische cirkel

Als we alles samenbrengen dan krijg je de volgende vijf aandachtspunten voor een les waarin je ICT gaat inzetten:

  1. De leerling: wat wil je bereiken met je les, wat moet die leerling na afloop kunnen en kennen (cognitief en niet-cognitief)?
  2. Mediawijsheid: Hoe mediawijs wil je de leerling maken?
  3. Gereedschappen: Welk(e) gereedschap(pen) ga je daarbij inzetten?
  4. De docent: welke vaardigheden dien jij te bezitten om zo'n les te kunnen geven. Heb je voldoende kwaliteiten en faciliteiten om zo'n les te kunnen geven?
  5. De school: Hoe draag je met jouw les bij aan de visie van de school?

Door bij het maken van een les kort stil te staan bij deze vijf aspecten zul je merken dat je les een gezond fundament krijgt, waardoor je het doel van de les beter zult bereiken.

 

 

De placemat

Om bovenstaande op een eenvoudige wijze in kaart te brengen hebben we dat op één A4 bij elkaar gezet. Op één van de deelnemende scholen werd dit de placemat genoemd en die naam hebben we maar overgenomen.

Op de placemat zie je alle aandachtsgebieden terugkomen: de leerling, de docent, de school, mediawijsheid en in het midden je les met het doel en de middelen.

Als je een les voorbereidt, vul dan ook de placemat eens in. Wellicht overbodig om aan te geven, maar uiteraard is het niet nodig bij elke les alle zeven 21st century skills te adresseren. Waar het om gaat is dat je er even bij stil hebt gestaan en hebt overwogen of iets een aandachtspunt is voor je les.

Klik op de afbeelding om een bewerkbare versie van de placemat in Word te downloaden.

Na het doorlopen van de workshop zul je vast en zeker een beter beeld gekregen hebben van jouw kennis en kunde op e-didactiek. Maar wat ga je daarmee doen? Om er voor te zorgen dat de ervaringen uit de workshop ook een vervolg krijgen, stellen we aan je voor om een persoonlijk actieplan (PAP) te maken.

In het PAP analyseer je eerst waaraan je wilt gaan werken. Waarom je dat wil doen is belangrijk als motivatie. Daarna is het van belang om zo SMART mogelijk je doelen te beschrijven; beter helder en op de korte termijn dan vaag en zonder concrete begin- en einddatum.

Hier kun je een sjabloon downloaden voor zo'n actieplan: Persoonlijk actieplan

Vul het actieplan in en bewaar het bij je afspraken betreffende POP- en functioneringsgesprekken en breng het in bij de gesprekkencyclus.