Het directe instructiemodel is een lesmodel dat uitgaat van de verschillende leervermogens van kinderen. Sommige kinderen begrijpen een instructie heel snel en andere kinderen hebben meer uitleg nodig. Het DIM houdt hier rekening mee en biedt structuur in de les, omdat elke les is opgebouwd uit de volgende 7 fasen:
Als leerkracht bespreek je het voorgaande werk en doe je een beroep op de benodigde voorkennis. Je zorgt ervoor dat de leerlingen de les in een context kunnen plaatsen en kunnen aangeven waar de volgende les over zal gaan.
In deze fase presenteer je het onderwerp van de les. Dit doe je door je les te koppelen aan voorgaande en nog komende lessen, door te vertellen waarom de les belangrijk is, door een overzicht te geven van wat ze gaan doen en door leerlingen het doel van de les mee te delen.
In deze fase ligt het accent op de uitleg. Dit betekent dat je als leerkracht onder andere uitleg geeft in kleine stappen, heldere taal gebruikt, concrete voorbeelden geeft, gebruik maakt van materialen en stappenplannen, stapsgewijs de moeilijkheidsgraad verhoogt en nagaat of de stof begrepen wordt.
In deze fase zijn de leerlingen onder jouw begeleiding aan het oefenen. De oefeningen die je geeft zijn kort en duidelijk. Je stimuleert leerlingen om zelf op zoek te gaan naar antwoorden en vraagt aan de leerlingen hoe ze aan antwoorden zijn gekomen. Daarnaast wordt in deze fase de ondersteuning geleidelijk vermindert.
Als leerkracht zorg je ervoor dat de leerlingen in deze fase van de les de leerstof zelfstandig verwerken. Dit betekent onder andere dat leerlingen onmiddellijk aan de slag kunnen met een gedifferentieerd aanbod aan verwerkingsopdrachten. Daarnaast moet het voor leerlingen duidelijk zijn wat de vervolgtaken zijn, nadat zij klaar zijn met hun werk.
In deze fase is ook aandacht voor de verlengde instructie. Je geeft extra uitleg, oefent samen met de leerlingen en zorgt ervoor dat je activiteiten aanbiedt die het voor leerlingen mogelijk maakt om zelfstandig de leerstof te verwerken.
In deze fase staat het evalueren van de les centraal. Als leerkracht zorg je voor een inhoudelijke afsluiting van de les, laat je leerlingen vertellen hoe zij vinden dat de les is gegaan, geef je feedback, ga je na of en hoe het doel is bereikt en koppel je dit terug naar het doel van de les.
In deze fase vertel je de leerlingen welk doel de les had in bijvoorbeeld de lessenreeks, de lesmethode en het thema. De leerlingen kunnen op die manier de les in een context plaatsen en jij kunt aangeven waar de volgende les over zal gaan.