Opdrachten
Eerst ga je een filmpje met uitleg over RNA bekijken op:
(2:42 min.).
Lees de onderstaande tekst eerst door en beantwoord daarna de vragen verderop.
4.6. RNA
RNA is de afkorting voor ribonucleïnezuur. RNA lijkt veel op DNA, maar bestaat uit één streng en heeft de base Uracil (U) in plaats van Thymine.
RNA wordt via transcriptie uit DNA gemaakt en verlaat de kern en wordt afgelezen (translatie) door de ribosomen. De volgorde van de codons in het RNA bepaald de volgorde van de aminozuren en dus de vorm en werking van het eiwit dat op deze manier gemaakt wordt.
Er bestaan 3 soorten RNA:

Afb. 4.10. Replicatie en eiwitsynthese
4.6.1. mRNA
De naam mRNA staat voor messenger RNA en bevat de “boodschap” (codons) die de volgorde bepalen van de aminozuren die het eiwit vormen.

Afb. 4.11. RNA en codons
4.6.2. tRNA
De naam tRNA staat voor transport RNA en deze vorm van RNA levert de aminozuren aan op volgorde zoals het mRNA dat aangeeft.
4.6.3. rRNA
Met rRNA wordt het ribosomaal RNA bedoeld. Doordat het rRNA zich aan de ribosomen hecht gaan deze werken. Het is dus eigenlijk een soort aan/uit-knop.

Table 4.1. Codons van mRNA voor de codering van aminozuren (hier met afkorting aangegeven).
Opdrachten
Opdracht 94
Gegeven is een stukje DNA met de basenvolgorde CGCATG.
- Bepaal hoe het mRNA dat hierbij hoort er uit ziet.
- Bepaal vervolgens het tRNA.
- Geef de volgorde van de aminozuren.
Je kunt bij deze opdracht tabel 4.1. van RNA codons gebruiken
Opdracht 95
Wat zijn de verschillen tussen DNA en RNA?
Opdracht 96
Zoek een plaatje op van mRNA, tRNA en rRNA en geef de verschillen duidelijk aan
Opdracht 97
Leg uit waarom een mutatie in het RNA minder verstrekkende gevolgen heeft dan een mutatie in het DNA.
Opdracht 98
Leg uit waarom een mutatie in het DNA in de eierstokken verstrekkende gevolgen heeft en in een levercel niet.